Mijn genade is u genoeg. 2 Korinthe 12:9.

21-12-2018

Als wij iemand troosten dan doen we dat omdat diegene die we troosten, verdriet of pijn heeft. We troosten iemand omdat er een geliefde is overleden en we voelen wel aan dat onze troost in deze omstandigheden tekort schiet. We troosten een kind als het pijn heeft. De band van liefde en geborgenheid wordt juist op zulke momenten ervaren. Troost kan pas ervaren worden als we behoefte hebben aan troost.


In het geestelijke leven is het niet anders, zoals het heerlijke daglicht schittert tegenover de duistere nacht, de heerlijke verfrissing van het water na een hevige dorst, zo staat genade tegenover straf. Wie anders zal de heerlijkheid, de diepte en het wonder van genade doorleven, dan zij die zich bewust zijn straf verdiend te hebben? Genade, eeuwig leven, terwijl straf, de eeuwige dood, ons toekwam.


Tot Paulus kwamen de woorden; 'Mijn genade is u genoeg', vrij vertaald zouden we kunnen zeggen; genoeg is Mijn genade. Wat een troostvolle woorden, gesproken tot een man die opgetrokken was geweest in de hemel en onuitsprekelijke dingen heeft gezien. Hij de vervolger van Gods volk, werd neergeveld in de hitte van zijn vervolging en in plaats van te moeten sterven heeft hij eeuwig leven ontvangen. Een vijand, werd een vriend. Een hater werd een broeder. Een vervolger werd een prediker. God heeft Paulus niet geworpen in het helse vuur maar hem opgetrokken in de hemel, daar heeft hij onderwijs ontvangen om de gemeente te mogen onderwijzen. Wat een rijkdom van genade, wat een ondoorgrondelijke wijsheid in onze God.


In het Paradijs, waar wij geschapen in Gods beeld, volmaakt en heerlijk leefden, heeft onze hoogmoed, een einde gemaakt aan deze heerlijke staat. Wij wilden als God zijn, en de wortel van dat kwaad komen we in ons allen tegen. Wie van ons kan zeggen niet hoogmoedig te zijn? Als wij van een vooraanstaand persoon een schouderklopje krijgen, kunnen we dat dan voor onszelf houden? Onze kleine kinderen, hebben allemaal de sterkste vader en kunnen alles beter dan een ander. Is er een betere les om van deze hoogmoed verlost te worden dan te vallen? Als ik van de daken schreeuw dat ik sterker ben dan mijn vriend en onder het oog van mijn andere vrienden blijkt dat niet ik maar mijn vriend de sterkste is, dan zal mijn hand op mijn mond moeten. De volgende keer zal ik iets minder hard roemen over mijzelf.


Zo als we deze les in de natuur zien, zo wordt deze ook gevonden in het geestelijke. Zolang wij zelf op de troon zitten en heer en meester willen zijn, is er geen plaats voor genade. We zien in de Bijbel en om ons heen dat een mens vaak eerst geknakt moet worden, wil hij vatbaar zijn voor Gods genade. Als ik zelf al mijn eindjes aan elkaar kan knopen en nog steeds weet hoe alles moet, zal mijn hart niet schreeuwen tot de levende God, nee ik heb zelfs geen besef van een levende God.


Uit mijn kinderjaren kan ik me nog herinneren dat we op een gegeven moment een andere auto kregen. Als wij in onze nieuwe auto reden keken wij als kinderen naar alle auto's en steeds als we dan net zo'n auto tegen kwamen dan waren we enthousiast. Nog nooit hadden wij opgemerkt dat er zoveel van dit type auto's reden. De auto's waren er wel, maar wij merkten ze niet op. Zo is het ook in het geestelijke leven. God is er alle dag, Hij regeert en onderhoud de wereld. Hij zorgt voor de bloemen, de vogels en de vissen, er valt geen musje van het dak zonder Zijn wil. Hij waakt over ons als wij slapen en geeft ons krachten in ons werk. Maar wie van ons ziet het? Dit zien wij pas echt en het maakt ons pas echt enthousiast als wij Hem kennen. Als wij deel aan Hem hebben, dan gaat Hij pas werkelijk leven. Dan beseffen we dat we met een levende God te doen hebben, een God waar wij vanaf dat moment een levende relatie mee hebben.


Wat een voorrecht als tot ons de boodschap van redding komt, terwijl zoveel andere mensen deze boodschap niet kennen. Wat heerlijk om te mogen horen dat er een levende God is die geen lust heeft in de dood van de goddelozen, maar daarin dat zij zich bekeren en leven (Ez. 33:11). Als wij nog leven met een ongeredde ziel, laat dan deze waarheid tot ons doordringen. God heeft geen lust in u en mijn dood, Hij heeft geen lust in onze eeuwige verdoemenis, terwijl wij die wel verdiend hebben. Hij, God de Vader, heeft in Zijn ondoorgrondelijke liefde, Zijn eniggeboren Zoon gezonden naar deze wereld, opdat Hij in onze plaats zou sterven. Jezus, is gekomen en heeft vrijwillig op het vloekhout van Golgotha de volle toorn van God gedragen. Daar hing Hij, de Zoon van God, de Zoon des mensen, de volzalige, zondeloze, met onze zonde en schuld beladen. Hij heeft de volle prijs betaald, 'Hij is om onze overtredingen verwond, om onze ongerechtigheden is Hij verbrijzeld; de straf die ons den vrede aanbrengt, was op Hem, en door Zijn striemen is ons genezing geworden, Jes. 53:5.' Wie kan deze liefde bevatten. Vrienden, kunnen wij langer op een afstand blijven staan, als wij horen van zoveel genade? Hij is ons van de Vader geschonken opdat een ieder die in Hem gelooft niet verloren zal gaan maar eeuwig met Hem zal leven (Joh. 3:16).


Als wij ons bewust zijn dat al onze zonden vergeven zijn, wat is er dan groter dan te mogen rusten in Zijn volbrachte werk? Om steeds weer opnieuw de betekenis van de woorden 'Mijn genade is u genoeg' te overdenken en tot ons door te laten dringen. Paulus was opgetrokken geweest in de hemel en ook Paulus was een mens zoals u en ik, een mens die maar zo zou kunnen gaan roemen en hoogmoedig worden, waardoor niet Gods eer maar Paulus in het middelpunt zou komen te staan. Om die reden heeft Paulus een scherpe doorn in het vlees gekregen, iets waar Paulus zo veel last van had dat hij het een engel des stans noemde, die hem met vuisten sloeg. Die vuistslagen brachten Paulus steeds weer op de knieën, die vuistslagen weerhielden Paulus om te roemen van zichzelf. Wat heeft hij geworsteld om van die doorn verlost te worden, meerdere malen heeft hij er om gebeden.


Wat de doorn precies geweest is, kunnen we uit Gods Woord niet opmaken, wel is het iets verschrikkelijks geweest, iets wat Paulus ervaarde als een engel des satans. Wat kunnen er verschillende beproevingen op ons afkomen,. Als we denken aan Job die op één dag alles wat hij had verloor. Als we denken aan Abraham die zijn eniggeboren, lang verwachte zoon moest offeren. Wat een beproevingen komen er op ons af als geliefden ons door de dood worden ontnomen. Wat gaat er door ons heen, als ons geld en goed ons wordt afgenomen. Wonderlijke wegen wil God met ons gaan om ons te leren, dat Zijn genade voor ons genoeg is. Om ons te leren dat juist in onze zwakheid, Zijn genade schittert. Zoals Paulus het zegt, als ik zwak ben, dan ben ik machtig. Als wij zwak zijn, hebben we niets te roemen, en is het zo heerlijk om te roemen in Christus krachten, om te leunen alleen op Zijn volbrachte werk. Dat geeft ons moed en kracht om verder te gaan, dat maakt ons vruchtbaar om te leven tot eer van Hem. Hij neemt ons dingen af om er zoveel beters voor terug te geven. Hij maakt ons zwak, om ons in Hem te doen overwinnen over satan.


Vrienden, wij hebben een levende God in de hemel, bij Hem kunnen we elk moment van de dag schuilen, laat het gebed ons machtigste wapen zijn in de strijd tegen de overheden en de machten in de lucht. Als satan komt met zijn verzoeking en wij bidden tot onze levende God, dan is satan onder Gods oog en moet hij vluchten. Ons gebeds leven is een graadmeter voor ons geestelijke leven. Bidden en in het gebed de gemeenschap ervaren met Hem die ons heeft liefgehad gaat alle vreugde van de wereld te boven. Dat maakt ons los van de wereld en doet ons reikhalzend uitzien naar het moment dat Hij komt om ons tot Zich te nemen. Als wij ons hart opheffen tot de levende God dan valt alles om ons heen weg, dan zijn we met ons hart in de hemel en is de hemel in ons hart. Wat is het droevig als dit gebedsleven verflauwt, als zonden scheiding maken tussen God en onze ziel. Wat een donkerheid kan ons dan overvallen. Satan zal dan alles in het werk stellen, om ons van het gebed af te houden en zal ons dieper in de kolken van de zonden trekken. Als wij niet onze wapenrusting gebruiken dan zijn we gedoemd te vallen. Het schild des geloofs, het zwaard des Geestes en de helm der zaligheid (Efeze 6), gehanteerd onder vurige gebeden, zullen satan op de vlucht doen slaan, ons hart optrekken uit alle vuilheid en ons weer doen wandelen in het licht.


Mijn genade is uw genoeg', wat hebben wij nog meer nodig? Kom zondaars, kom tot Jezus en laat uw zonden afwassen. Kom broeders en zusters, u die de Heere hebt lief gekregen, Zijn kracht wordt in onze zwakheid volbracht. Wij zijn sterk in Hem en zullen overwinnen. Nog even, dan is de strijd gestreden en zullen we eeuwig met Hem triomferen. Weet dat als satans vuisten ons beuken, God ons ziet en Hij dit toelaat om ons te leren alleen op Hem te vertrouwen. Weet dat we een medelijdende Hogepriester in de Hemel hebben, die ons in alles gelijk is geworden en dat zonder zonden. Hij weet wat het is om zwak te zijn, wat het is om pijnen en verdriet te moeten ondergaan. Hij alleen kan ons troosten zoals geen ander dat kan. Wij hebben een liefhebbende Vader in de Hemel, die ons draagt daar waar wij niet lopen kunnen. Wij hebben de Heilige Geest in ons ontvangen die ons ondersteunt en altijd weer het oog op Christus doet slaan.


Vrienden, Zijn genade is voor ons genoeg, laten onze ogen geslagen zijn op onze Heere. Laat het kruis van Christus het rustpunt van ons leven zijn. Daar, in Zijn dood, is ons leven geboren. Wij zijn met Hem gekruisigd, met Hem begraven en met Hem opgestaan om Hem eeuwig alle glorie, lof eer en aanbidding te brengen, Halleluja, geprezen zij Zijn Naam. Amen.

Genade, zo oneindig groot.

Dat ik, die 't niet verdien

het leven vond, want ik was dood

en blind, maar nu kan 'k zien.
Genade die mij heeft geleerd

te vrezen voor het kwaad.

Maar ook - als ik mij tot Hem keer

dat God mij nooit verlaat.
Want Jezus droeg mijn zondelast

en tranen aan het kruis.

Hij houdt mij door genade vast

en brengt mij veilig thuis.
Als ik daar in zijn heerlijkheid

mag stralen als de zon,

dan prijs ik Hem in eeuwigheid

dat ik genade vond.