Niet onder de wet maar onder de genade

04-09-2020

'Want de zonde zal over u niet heersen; want gij zijt niet onder de wet, maar onder de genade, Rom. 6:14.'

De vorige keer stonden we stil bij de volmaaktheid van de gelovige en zagen we dat die volmaaktheid niets anders wil zeggen, dan het volwassen worden in leer en leven. Daarbij hebben we gezien dat Abraham rechtvaardig voor God was in zijn gelovig gehoorzamen aan Gods opdracht. De oprechten zijn zij die naar Gods standaard leven en daarin groeien naar volwassenheid. Hoewel dit een Bijbelse boodschap is, is het een heel spannend onderwerp. Een onderwerp van discussie omdat er zoveel verwarring is rond het onderwerp wet en evangelie. De vorige keer zagen we al dat niemand in eigen kracht rechtvaardig kan zijn voor God, maar alleen door een wandel in geloof. Het geloof verenigd met God. De genade van God is nodig om de breuk, die is ontstaan vanwege het overtreden van Gods wet, te helen. Christus Jezus is de Weg tot de Vader, door Hem alleen kan de zondaar verzoend worden. Als Habakuk in het Oude Testament of Eerste Testament zegt dat de rechtvaardige door zijn geloof zal leven (2:4) dan is dat de volle waarheid. Zonder geloof is het onmogelijk om God te behagen (Hebr. 11:6).

Maar vanwaar dan dat spanningsveld? Waarom staan de wet en het evangelie op zo'n gespannen voet met elkaar? Voor hen die niets begrijpen van deze vragen en misschien helemaal die spanning niet kennen, is het goed om iets te weten van dat wat er speelt rondom wet en evangelie. De Bijbel vertelt ons op een boeiende en verhalende wijs hoe God alles heeft geschapen, hoe de mens steeds weer van Hem afkeerde en hoe Hij een volk heeft verkoren waaraan Hij zijn heilige, goede zorg en wil toonde in geboden en inzettingen. De Schepper van hemel en aarde maakte Zichzelf bekend als de enige God en riep hen die Hij verkozen had op met de volgende woorden: 'Zo zult gij de HEERE uw God liefhebben met uw ganse hart en met uw ganse ziel en met al uw vermogen, Deut. 6:5.' Hij gaf de belofte van Zijn liefde en van Zijn zegeningen (7:13). Op de overtredingen van Zijn geboden stond straf maar voor de zondaar die niet met moedwil of voorbedachte rade had gezondigd (Num. 15:30), voorzag God in vergeving doormiddel van de offerdienst. Gods hele wet is doordrenkt van genade.

Helaas is er in de eerste eeuwen van de kerkgeschiedenis een leer ontstaan die de God van het Oude Testament met al Zijn wetten als "wreed" heeft voorgesteld, tegenover de God van het Nieuwe Testament, Die een genadig God is, Die Zijn Zoon heeft gegeven (denk aan Marcion). Deze hele leer is uitgerold waarbij een steeds groter spanningsveld is ontstaan tussen wet en evangelie. De geschiedenis heeft geleerd dat zij die zich christelijk noemden, de tot geloof in de Heere Jezus gekomen Jood, verplichtte afstand te nemen van tradities en de geboden van God. Want, zo werd geleerd, de gelovigen in de Heere Jezus Christus maakte nu deel uit van de gemeente en mocht zich niet meer bezig houden met zaken als spijswetten, het houden van de sabbat of het vieren van de feesten die God heeft ingesteld. Vandaag de dag is deze leer niet verzwakt maar veelmeer versterkt geworden. De gelovige Jood wordt als geestelijk gezien als hij een broodje ham eet omdat hij daarmee bewijst niet meer onder de wet te zijn maar onder de genade, en zij die er voor uitkomen de wet van God lief te hebben en door het geloof daarnaar willen handelen, worden verdacht gemaakt waarbij zelfs wordt getwijfeld of zij wel ooit echt zijn wedergeboren.

Hoewel dit voor sommigen misschien erg vreemd klinkt, is het goed om toch wat dieper na te denken over dat wat Paulus ons leert in Zijn brieven. Ik hoop dat de gelovigen uit de Joden en de heidenen elkaar (opnieuw) zullen vinden in Christus Jezus, waarbij wij ons samen uitstrekken naar een wandel die God behaagt, waarbij wij groeien tot de volwassenheid die Hij voor ogen heeft.

Paulus heeft gezegd: 'Want ik schaam mij des Evangelies van Christus niet; want het is een kracht Gods tot zaligheid een iegelijk, die gelooft, eerst den Jood, en ook den Griek. Want de rechtvaardigheid Gods wordt in hetzelve geopenbaard uit geloof tot geloof; gelijk geschreven is: Maar de rechtvaardige zal uit het geloof leven, Rom. 1:16,17.' Het geloof in de Heere Jezus Christus is het uitgangspunt van onze studie. Want zonder dat geloof liggen alle mensen verloren voor God. Wat zou het baten om te denken God te dienen, als wij Hem niet dienen met heel ons hart, ziel en alle kracht? Hem dienen kan niet zonder te rusten in het volbrachte werk van Christus, Die Zijn leven gaf om zondaren zalig te maken.

De wet is het spannende onderwerp. Boven de overdenking staat: 'Want gij zijt niet onder de wet, maar onder de genade.' Dit zijn toch echt honderd procent woorden uit de Bijbel en daar kunnen en willen wij niets van afdoen, maar wat bedoelt Paulus hiermee te zeggen? Bedoelt Paulus dat de gelovige zich niet hoeft te bekommeren om de tien geboden als samenvatting van de hele wet en bedoelt hij daarmee dat de wet dus nu is vervangen door de twee geboden die wij kennen als God liefhebben boven alles en onze naasten als onszelf?

In de eerste hoofdstukken van de brief aan de Romeinen maakt Paulus duidelijk dat zowel de heiden als de Jood voor God te veroordelen is. Hij spreekt over heidenen die zonder de wet gezondigd hebben en over Joden die onder de wet gezondigd hebben, zij zullen beiden geoordeeld worden, 'want' zegt hij in Romeinen 2:12-15: 'de hoorders der wet zijn niet rechtvaardig voor God, maar de daders der wet zullen gerechtvaardigd worden' Zoals ook Johannes dat zegt in zijn brief: 'Kinderkens, dat u niemand verleide. Die de rechtvaardigheid doet, die is rechtvaardig, gelijk Hij rechtvaardig is, 1 Joh. 3:7.' Ook Jakobus zegt: 'En zijt daders des Woords, en niet alleen hoorders, uzelven met valse overlegging bedriegende, Jak. 1:22.'

Zowel de heiden als de Jood, met andere woorden, zowel zij die bekend zijn met de wet van God, als zij die dat niet zijn, zijn te veroordelen vanwege hun daden. Dat is wat Paulus in de eerste drie hoofdstukken van de Romeinenbrief heeft duidelijk gemaakt. Hij concludeert: 'Wij weten nu, dat al wat de wet zegt, zij dat spreekt tot degenen, die onder de wet zijn; opdat alle mond gestopt worde en de gehele wereld voor God verdoemelijk zij, Rom. 3:19.'

Nu is het van levensbelang om goed te begrijpen wat het betekent om onder de wet te zijn. Ten eerste kunnen we onder dat ene woordje wet, niet altijd per definitie de Thora als heilige inzetting van God verstaan. Paulus spreekt in hoofdstuk 7:12 bijvoorbeeld over de wet die heilig is en het gebod dat heilig, rechtvaardig en goed is. Daar spreekt hij over Gods heilige wet de Thora. Maar in vers 23 spreekt hij over drie wetten, één in zijn leden of lichaam, één in zijn gemoed, maar ook van een wet der zonde, waarmee hij doelt op de wetmatigheid tot zondigen. Met andere woorden, als we in dat ene woordje wet steeds de Thora van God zien, dan raken we hopeloos in de war. Als hij in vers 6 zegt dat hij is vrijgemaakt van de wet. Dan spreekt hij tot hen die de wet verstaan (zie vers 1). Hij is vrijgemaakt om zijn zaligheid en rechtvaardigheid van de wet te verwachten. Hij is vrijgemaakt van die ellendige wet in zijn leden die hem dwingt tot zondigen, want hij is met Christus gestorven en met Hem opgewekt. Hij is niet langer gevangen onder een juk der dienstbaarheid dat hem dwingt te gehoorzamen om rechtvaardig voor God te worden. Nee, nu mag Paulus weten in Christus rechtvaardig te zijn en in die vrijheid wandelt hij naar Gods geboden door de Geest. Hij zegt in Romeinen 3:20: 'Daarom zal uit de werken der wet geen vlees gerechtvaardigd worden voor Hem; want door de wet is de kennis der zonde.' Hoewel de wet heilig is en is gegeven om te onderhouden, zal de mens die zijn rechtvaardigheid in zichzelf zoekt, hopeloos vast lopen. Want de rechtvaardige, hij of zij die naar Gods wet wandelt, kan alleen door het geloof voor en met God leven. Ook onder het Eerste Testament heeft God dat duidelijk gemaakt: Jesaja 64:6a zegt: 'Doch wij allen zijn als een onreine, en al onze gerechtigheden zijn als een wegwerpelijk kleed.' In 1 Koningen 8:46 zegt Salomo dat er geen mens is die niet zondigt. Er is niets nieuws onder de zon. Vanaf Adam tot de laatste mens is er zonde en ongerechtigheid, maar ook genade wat alleen wordt toegepast aan de zondaar die door het geloof tot God de toevlucht neemt. Romeinen 6 maakt duidelijk dat de gelovige met Christus is gestorven en zich daarmee dood moet houden voor de zonden. Die zonde mag niet langer heersen in de mens die leert wandelen door de Geest. Het lichaam moet niet langer beschikbaar zijn voor de zonde maar alleen voor God. Dan zingt Paulus als het ware de tekst boven de overdenking: ''Want de zonde zal over u niet heersen; want gij zijt niet onder de wet, maar onder de genade, Rom. 6:14.' Nee, niet langer onder de wetmatigheid tot zondigen, niet langer het opbouwen van eigengerechtigheid door het onderhouden van de Thora of geboden die daarbij en rond omheen zijn bedacht.

O, hoe zalig is het om geborgen te zijn in Christus Jezus, want; 'Christus heeft ons verlost van den vloek der wet, een vloek geworden zijnde voor ons; want er is geschreven: Vervloekt is een iegelijk, die aan het hout hangt, Gal. 3:13.' Hij nam de vloek weg opdat wij de zegeningen zouden genieten. Besef toch dat er niet staat dat Christus ons van de vervloekte wet heeft verlost, Hij nam de wet niet weg (Matth. 5:17), maar de vloek die op de zondaar rust vanwege het overtreden van de wet. Die heilige, goede en rechtvaardige wet wordt geschreven in de harten van hen die door het geloof worden wedergeboren, dat is de belofte van het Nieuwe Verbond (Jer. 31:33). Zij leren wandelen door de Geest en volbrengen de begeerte van het vlees niet, omdat zij die begeerten hebben gekruisigd, net zoals zij hun vlees hebben gekruisigd. Zij weigeren te zondigen en verlangen de vrucht van de Geest meer en meer te genieten en daaruit te delen. Dat is wat Galaten 5 ons leert en zij die zo wandelen horen die heerlijke klanken: 'Tegen de zodanigen is de wet niet, vers 23.' Waarom niet? Omdat de wet niets heeft te berispen of bij te schaven wanneer wij zo wandelen. Wat een vreugde om te horen en gelovig te genieten dat er; 'geen verdoemenis is voor degenen, die in Christus Jezus zijn, die niet naar het vlees wandelen, maar naar den Geest, Rom. 8:1.' Die heilige wet van God is niet langer een struikelblok maar een spiegel waarin Gods heerlijke karakter schittert en waaraan wij ons leven onder leiding van Gods Geest leren spiegelen. Hoe langer we met God mogen wandelen, hoe vaker we de herhaling van de geestelijke lessen in Romeinen 6, 7 en 8 zullen beleven. Steeds ontvangen we dieper inzicht in Gods heiligheid, waarbij wij onder leiding van Gods Heilige Geest, door een weg van ontdekking, beproeving en verlossing meer en meer groeien tot volwassenen in het geloof, ja volmaakt worden in Christus Jezus, in Wie al onze volmaaktheid ligt besloten. Lere de Heere ons meer en meer dit diepe geheim te kennen en genieten. 'Want de zonde zal over u niet heersen; want gij zijt niet onder de wet, maar onder de genade, Rom. 6:14.' Hallelujah, Amen. 

Wilco Vos Veenendaal 08-07-2020