Woorden van Jezus – De Steen Die de bouwlieden verworpen hebben

13-09-2019

'Hoort een andere gelijkenis. Er was een heer des huizes, die een wijngaard plantte, en zette een tuin daarom, en groef een wijnpersbak daarin, en bouwde een toren, en verhuurde dien den landlieden, en reisde buiten's lands. Toen nu de tijd der vruchten genaakte, zond hij zijn dienstknechten tot de landlieden, om zijn vruchten te ontvangen. En de landlieden, nemende zijn dienstknechten, hebben den een geslagen, en den anderen gedood, en den derden gestenigd. Wederom zond hij andere dienstknechten, meer in getal dan de eersten, en zij deden hun desgelijks. En ten laatste zond hij tot hen zijn zoon, zeggende: Zij zullen mijn zoon ontzien. Maar de landlieden, den zoon ziende, zeiden onder elkander: Deze is de erfgenaam, komt, laat ons hem doden, en zijn erfenis aan ons behouden. En hem nemende, wierpen zij hem uit, buiten den wijngaard, en doodden hem. Wanneer dan de heer des wijngaards komen zal, wat zal hij dien landlieden doen? Zij zeiden tot hem: Hij zal den kwaden een kwaden dood aandoen, en zal den wijngaard aan andere landlieden verhuren, die hem de vruchten op haar tijden zullen geven. Jezus zeide tot hen: Hebt gij nooit gelezen in de Schriften: De steen, dien de bouwlieden verworpen hebben, deze is geworden tot een hoofd des hoeks; van den Heere is dit geschied, en het is wonderlijk in onze ogen? Daarom zeg Ik ulieden, dat het Koninkrijk Gods van u zal weggenomen worden, en een volk gegeven, dat zijn vruchten voortbrengt. En wie op dezen steen valt, die zal verpletterd worden; en op wien hij valt, dien zal hij vermorzelen. En als de overpriesters en Farizeen deze Zijn gelijkenissen hoorden, verstonden zij, dat Hij van hen sprak. En zoekende Hem te vangen, vreesden zij de scharen, dewijl deze Hem hielden voor een profeet, Matth. 21:33-46.'

Nadat de Heere Jezus de oversten van het volk, de Schriftgeleerden en de ouderlingen heeft vergeleken bij een zoon die wel gehoorzaam leek door zijn getuigenis maar ongehoorzaam was in zijn handelen, stelt Hij hen een nieuwe gelijkenis voor. In deze gelijkenis beschrijft Jezus het volk Israël als een wijngaard, omtuint, voorzien van een wijnpersbak en een toren. We komen deze gelijkenis meer in de Bijbel tegen. In Psalm 80 vers 8 lezen we: 'Gij hebt een wijnstok uit Egypte overgebracht, hebt de heidenen verdreven, en hebt denzelven geplant.' In Jesaja 5 lezen we het lied van de wijngaard: 'Nu zal ik mijn Beminde een lied mijns Liefsten zingen van Zijn wijngaard; Mijn Beminde heeft een wijngaard op een vetten heuvel. En Hij heeft dien omtuind, en van stenen gezuiverd, en Hij heeft hem beplant met edele wijnstokken; en Hij heeft in deszelfs midden een toren gebouwd, en ook een wijnbak daarin uitgehouwen; en Hij heeft verwacht, dat hij goede druiven zou voortbrengen, maar hij heeft stinkende druiven voortgebracht, Jes. 5:1,2.'

Israël is voortgekomen uit de gelovige Abraham, Izak en Jakob en geroepen uit Egypte om een licht voor de volkeren te zijn. God de Vader heeft hen ondertrouwd en Zijn ketoeba of huwelijksacte gegeven in de vorm van de tien geboden, geschreven op de twee stenen tafelen. Hij gaf Zijn heilige geboden als een beschermende omtuining om hun leven. De wijnpersbak waar het druivenbloed vloeide gaf Hij hen in de vorm van het altaar waar de vermoeide met schuldbeladen ziel vrede en rust vond in het bloed dat daar vloeide. Maar ook waar de dankbare ziel, lof en dankoffers bracht tot eer van God de Vader. De toren van bescherming tegen vijandelijke aanvallen gaf Hij hen door de burgerlijke macht en aanvoerders als Mozes, Jozua, de richters en de koningen. Maar helaas ondanks al deze bijzondere gunstbewijzen en Vaderlijke zorg, zegt Jesaja al dat er in plaats van goede druiven, stinkende druiven zijn voortgebracht.

De landlieden aan wiens zorg de wijngaard was toevertrouwd, bleken in de tijd dat hun heer elders was, niet te gehoorzamen aan hun roeping. Toen de tijd van de opbrengst gekomen was, werden er dienstknechten gezonden om vruchten te ontvangen. De landlieden namen de knechten van hun heer, sloegen, doodden en stenigden hen. Toen de heer meerdere knechten stuurde, werden ook zij op deze slechte manier behandeld. In Jeremia lezen we 'Veel herders hebben Mijn wijngaard verdorven, zij hebben Mijn akker vertreden; zij hebben Mijn gewensten akker gesteld tot een woeste wildernis, 12:10.' En in Nehemia 9 vers 26: 'Maar zij zijn wederspannig geworden, en hebben tegen U gerebelleerd, en Uw wet achter hun rug geworpen, en Uw profeten gedood die tegen hen betuigden, om hen te doen wederkeren tot U; alzo hebben zij grote lasteren gedaan.'

Israël heeft de rijke zegen niet willen genieten, ze hebben de omtuining verbroken en onder leiding van verkeerde landlieden, de profeten die tot hen kwamen in naam van de Vader, verworpen en gedood. 'En de Geest Gods toog Zacharia aan, den zoon van Jojada, den priester, die boven het volk stond, en hij zeide tot hen: Zo zegt God: Waarom overtreedt gij de geboden des HEEREN? Daarom zult gij niet voorspoedig zijn; dewijl gij den HEERE verlaten hebt, zo zal Hij u verlaten. En zij maakten een verbintenis tegen hem, en stenigden hem met stenen door het gebod des konings, in het voorhof van het huis des HEEREN. 2 Kron. 24:20,21.' Johannes de Doper is gekomen als een gezant van Christus en Zijn Koninkrijk maar ook hij moest sterven.

Als laatste stuurde de heer zijn zoon, de zoon die hem zo lief was (Mark 12:6) in de vooronderstelling dat zij hem zouden ontzien. Maar de landlieden zagen de zoon komen en dachten dat als zij hem zouden doden zij zelf de erfenis konden behouden. De zoon wordt genomen en buiten de wijngaard gedood. O met wat een blindheid is toch het hart van de zondaar geslagen, zou de vader niet komen om vrucht en tegelijk de dood van zijn zoon wreken?

Christus, de geliefde Zoon van God, Hem van wie de profeten getuigden, is gekomen tot Zijn volk en zoals Jezus hier voorstelde zo hebben zij ook Hem genomen en gedood. Stefanus heeft er later van gesproken: 'Wien van de profeten hebben uw vaders niet vervolgd? En zij hebben gedood degenen, die te voren verkondigd hebben de komst des Rechtvaardigen, van Welken gijlieden nu verraders en moordenaars geworden zijt, Hand. 7:52.' Dan de grote vraag; als nu de heer van de wijngaard komt, wat zal hij dan aan de landlieden doen? Het antwoord van de oversten, Schriftgeleerden en oudsten klinkt: 'Hij zal den kwaden een kwaden dood aandoen, en zal den wijngaard aan andere landlieden verhuren, die hem de vruchten op haar tijden zullen geven.' Hoewel zij ongetwijfeld hebben moeten begrijpen dat ook deze gelijkenis op hen van toepassing was, hebben zij onverschrokken als met toegesnoerde gewetens geantwoord met een profetisch antwoord. Ja inderdaad zal de doodstraf volgen op deze daad en zal de wijngaard gegeven worden aan anderen. De apostelen zullen de landlieden worden over de wijngaard die vrucht zal dragen tot in het eeuwige leven.

Jezus gaat verder en stelt hen de vraag: 'Hebt gij nooit gelezen in de Schriften: De steen, dien de bouwlieden verworpen hebben, deze is geworden tot een hoofd des hoeks; van den Heere is dit geschied, en het is wonderlijk in onze ogen?' Hij wijst hen op de Psalm die zij zo goed kennen, de Psalm die zojuist nog gezongen was door het volk en de kinderen, het is de 118de Psalm die bejubelt: 'Gezegend is hij, die daar komt in de Naam des HEEREN!' De bouwlieden, dat zijn zij die er op moesten toezien dat de wijngaard vrucht zou dragen, het zijn zij die het volk zouden moeten beschermen en hoeden als een herder zijn schapen. Maar helaas, de herders zijn corrupt en de wijngaard is verdorven. De steen, is door de bouwlieden verworpen, ja Christus Zelf, de Rots der behoudenis is van hen verworpen. 'Daarom zeg ik ulieden, dat het Koninkrijk Gods van u zal weggenomen worden, en een volk gegeven, dat zijn vruchten voortbrengt.' Wat een ernstige confronterende woorden, woorden die vandaag nog steeds de ergernis oproept bij het volk dat hun Messias heeft verworpen en bij hen die Israël verheffen tot een afgod. Het Koninkrijk der hemelen of de wijngaard is vandaag niet te omschrijven als het aardse Israël, nee het is het Israël dat uit God geboren is, zij die de voetstappen en het geloof van vader Abraham volgen en vertrouwen dat door het offer van Jezus Christus al hun zonden zijn verzoend, zij zijn Abrahams zaad.

Wee hen die zich ergeren aan de van mensen verworpen steen die tot een hoofd des hoeks geworden is. Jezus sprak: 'En wie op dezen steen valt, die zal verpletterd worden; en op wien hij valt, dien zal hij vermorzelen.' Hij is de Rots van ons behoud, Hij is de hoeksteen, ja het fundament waarop heel de gemeente gebouwd wordt uit Jood en heiden. Er is hoop voor Israël, ja voor al de volkeren, want Jezus leeft, Hij is opgestaan en allen die in Hem geloven zullen nooit beschaamd worden. Samen met al de heiligen mogen wij die geloven deel uitmaken van de wijngaard des HEEREN, nog even en Hij zal komen om vrucht te zoeken.

Vrienden, hoe is het met ons? De overpriesters en de farizeeën begrepen dat er over hen gesproken werd en wilden Jezus vangen maar waren bang voor de mensen. Het is of rusten op Jezus de hoeksteen of struikelen over Hem en verpletterd worden. 'U dan, die gelooft, is Hij dierbaar; maar den ongehoorzamen wordt gezegd: De Steen, Dien de bouwlieden verworpen hebben, Deze is geworden tot een hoofd des hoeks, en een steen des aanstoots, en een rots der ergernis, 1 Pet. 2:7.'

Laten wij, zo net voor de komst van de Heere Jezus Christus, ons zelf verootmoedigen voor Hem, ons bekeren in het geloof, breken met de banden die ons binden aan dit aardse, om geheel Hem toegewijd, vruchten te dragen tot in het eeuwige leven. Want, Vader wordt verheerlijkt als wij veel vrucht dragen en wij weten dat allen die in Christus zijn, verlost zijn van het oordeel en vrucht dragen omdat de sappen van Hem, de Ware Wijnstok, door de ranken stroomt. Alles uit Hem, geef Hem lof. Amen.

Wilco Vos Veenendaal 24-06-2019