Woorden van Jezus – Geeft dan den keizer dat des keizers is

27-09-2019

'Toen gingen de Farizeen heen, en hielden te zamen raad, hoe zij Hem verstrikken zouden in Zijn rede. En zij zonden uit tot Hem hun discipelen, met de Herodianen, zeggende: Meester! wij weten, dat Gij waarachtig zijt, en den weg Gods in der waarheid leert, en naar niemand vraagt; want Gij ziet den persoon der mensen niet aan; Zeg ons dan: wat dunkt U? Is het geoorloofd, den keizer schatting te geven of niet? Maar Jezus, bekennende hun boosheid, zeide: Gij geveinsden, wat verzoekt gij Mij? Toont Mij de schattingpenning. En zij brachten Hem een penning. En Hij zeide tot hen: Wiens is dit beeld en het opschrift? Zij zeiden tot Hem: Des keizers. Toen zeide Hij tot hen: Geeft dan den keizer, dat des keizers is, en Gode, dat Gods is. En zij, dit horende, verwonderden zich, en Hem verlatende, zijn zij weggegaan, Matth. 22:15-22.'

Als we deze geschiedenis op ons laten inwerken dan is het goed om dat te doen in de context van de woorden die we vinden in Psalm 14: 'De HEERE heeft uit den hemel nedergezien op de mensenkinderen, om te zien, of iemand verstandig ware, die God zocht. Zij zijn allen afgeweken, te zamen zijn zij stinkende geworden; er is niemand, die goed doet, ook niet een, vers 2 en 3.' Ondanks dat Hij zag dat er niemand was die naar Hem zocht maar dat zij allen waren afgeweken en deden wat goed was in eigen oog, was het in het hart van God om de mens te bezoeken en te verlossen. Hijzelf kwam vanuit de hemel naar deze, door de zonde vervloekte aarde om te verlossen en zalig te maken dat wat verloren was. Wat een onuitsprekelijke goedheid, wat een onverdiende genade en wat een opzoekende liefde openbaart ons de Vader in het zenden van Zijn Zoon de Heere Jezus Christus. Hij kwam niet om te wijzen, Hij kwam niet om te veroordelen maar om te onderwijzen en te verlossen, Hij openbaarde ons het hart van de Vader en maakt Zichzelf bekend als de Weg, de Waarheid en het Leven opdat wij in Hem zouden geloven en uit genade het eeuwige leven zouden ontvangen. Hij de Rechtvaardige, de Bron van gerechtigheid is gekomen om onrechtvaardigen te verlossen van ongerechtigheid, te wassen en te reinigen opdat zij verzoend met de Vader al de dagen leven zouden in een dankbare gelukzalige en vredige verbondenheid aan God die al de vreugde van de wereld ver overstijgt.

Maar... Gij hebt niet gewild.... Wat een vreselijke werkelijkheid, wat een verdrietige, hartverscheurende tragedie, dat de verloren mens, de liefdevolle genade van God verwerpt en dat op zoveel verschillende manieren terwijl de wortel van al die afwijzing niets anders is dan vijandschap tegen God. Of we nu verstrikt zijn geraakt in de zorgen van het leven of dat we vastgezogen zitten in de modder van de zonden, of niets anders zijn dan voor het oog nette mensen, we hebben God nodig, we hebben Zijn ontfermende genade nodig om van doodongelukkige verloren zondaren, kinderen van de Allerhoogste te worden. Laten wij leren van het onderwijs van Jezus dat onze eigengerechtigheden en al onze zonden scheiding maken tussen ons en de hemelse Vader. De farizeeërs en de schriftgeleerden hebben met al hun geleerdheid en hun bijzondere positie bewezen dat zij niets anders zijn dan vrome vijanden van de levende God. Ze hadden hun mond vol met God, ze leken zo voorbeeldig maar vanbinnen waren zij niets anders dan vijanden. Zo zelfs dat Jezus hen vergelijkt met graven die er vanbuiten wel mooi uitzien maar vanbinnen niets anders bezitten dan dorre beenderen. Juist zij die het volk moesten voorgaan op de weg ten leven, hebben de Weg des Levens verworpen en alles op alles gezet om Hem te doden.

De Heere Jezus schroomde niet om hen openlijk te wijzen op hun valse harten opdat zij en het volk zich zouden bekeren van hun holle religie om te gaan leven in een levende relatie met de Allerhoogste God. De harten van deze mannen leken onbereikbaar, in plaats van zich te bekeren, knersten zij met hun tanden en zochten het moment waarop ze deze Jezus van het toneel zouden kunnen laten verdwijnen. We lezen in de woorden van onze overdenking dat zij samen vergaderden en nadachten hoe zij Jezus zouden kunnen laten vastlopen in zijn woorden. Zij zochten naar een valstrik, Jezus moest Zichzelf schuldig maken aan één of ander strafbaar feit, zodat zij Hem zouden kunnen uitleveren. Als slangen broedden zij hun eieren uit en vol enthousiasme hoopten zij dat hun duivelse plan zou slagen. Ze zochten steun bij hun vijand, de Herodianen, de volgelingen van de ideologie van de wrede Herodus die doormiddel van de kindermoord Jezus de Koning der Joden had willen ombrengen. Satan heeft vele pijlen op zijn boog en weet vijanden bij elkaar te brengen om zijn helse plannen uit te voeren.

De discipelen van de farizeeërs moesten samenwerken met de Herodianen om Jezus in de strik te laten lopen. Er bestond een verschil van mening over het betalen van de keizerlijke belasting. De Herodianen waren voorstanders van de keizer en betaalde gewillig de keizerlijke belasting maar de farizeeërs waren van mening dat dit geheel inging tegen de orde van God, Die Zijn volk had bevrijd van overheersing van de vreemden. Gezamenlijk zouden deze vijanden optrekken om hun strikvraag aan Hem voor te leggen. Hun hart ging sneller kloppen bij de gedachte dat ze Hem nu eindelijk eens zouden kunnen strikken. Of Hij zou de keizer afvallen en de Romeinse overheerser over Zich heen krijgen of Hij zou Zichzelf in discredit brengen bij het volk dat niet wilde buigen onder de Romeinen.

Hoe openbaren deze vrome mannen zich opnieuw als blinde leidslieden, zij meenden niet te hoeven buigen onder het juk van Rome, zij meenden dat God hen beloofd had te beschermen tegen overheersers waarbij deze Romeinen dus onwettige overheersers waren. Ze waren blind voor de oordelen van de God Die zij in hun eigengerechtigheid allang de rug hadden toe gekeerd. Ze beseften niet dat al het geweld van de vijand niets anders was dan het gevolg van hun eigen Godsverlating. De boodschap van de Wet en de Profeten hebben zij niet aangenomen. De woorden van Jeremia bleek voor hen van geen waarde, terwijl hij toch gesproken had: 'Daarna sprak ik tot Zedekia, den koning van Juda, naar al deze woorden, zeggende: Brengt uw halzen onder het juk des konings van Babel, en dient hem en zijn volk, zo zult gij leven. Waarom zoudt gij sterven, gij en uw volk door het zwaard, door den honger en door de pestilentie, gelijk als de HEERE gesproken heeft van het volk, dat den koning van Babel niet zal dienen, Jeremia 27:12,13.'

Daar staan dan de leugenachtige gezanten van de vijand tegenover de Weg, de Waarheid en het Leven. 
We moeten denken aan de woorden van Paulus uit Romeinen 3: 'Hun keel is een geopend graf; met hun tongen plegen zij bedrog; slangenvenijn is onder hun lippen. Welker mond vol is van vervloeking en bitterheid; Hun voeten zijn snel om bloed te vergieten; Vernieling en ellendigheid is in hun wegen; En den weg des vredes hebben zij niet gekend, vers 13-17.' Hoor wat ze zeggen: 'Meester! Wij weten, dat Gij waarachtig zijt, en den weg Gods in der waarheid leert, en naar niemand vraagt; want Gij ziet den persoon der mensen niet aan.' Onderworpen en vol lof klinken deze inleidende woorden. Nee ze komen niet direct op de proppen met hun strikvraag, maar listig als de slangen proberen ze eerst in een goed blaadje te komen bij Jezus, alsof ze echte aanbidders van Hem zijn. Ze blijken Hem te kennen als een waarachtige leermeester die niet bang is om te zeggen waar het op staat, Hij spreekt niet naar de mond van de mensen en is niet verlegen om complimenten en erkenning. Hij zegt waar het op staat, juist dat is de reden waarom ze met hun moeilijke gewetensvraag tot Hem de toevlucht nemen. Maar, hoe zouden ze toch de Waarheid kunnen strikken met een leugen? De woorden van Jezus knallen als zweepslagen: 'Gij geveinsden, wat verzoekt gij Mij?' Niets blijkt voor Hem verborgen, inderdaad blijkt Hij de persoon niet aan te zien, of het nu volgelingen van Herodus de Grote zijn of volgelingen van de farizeeërs, Hij kijkt hen recht in de ogen en openbaart Zijn Goddelijke Wijsheid. Vrij van mensenvrees of angst voor eventuele gevolgen, vraagt Hij om een schatpenning. Als zij die bij Hem brengen vraagt Hij van wie het beeld en het opschrift is dat op de penning staat. "Van de keizer", zo klinkt hun antwoord. Waarop Jezus zegt: 'Geeft dan den keizer, dat des keizers is, en Gode, dat Gods is.' Met andere woorden, ga heen, betaal de belasting aan de Keizer die over je gesteld is en geef je hart en leven aan God, want dat komt Hem toe. Verwonderd zijn ze weggegaan, wie is toch Deze, hoe is het mogelijk, Hij lijkt niet te vangen. Wie kan Zijn wijsheid doorgronden?

Vrienden, net als Jezus hebben wij de geest van onderscheid nodig om de leugen van de Waarheid te kunnen scheiden. Pas op voor mooie, oorstrelende woorden waarbij de waarheid vermengd is met de leugen. Wat wij nodig hebben is een oprecht hart dat naar God uitgaat. Laten wij ons voor het eerst of steeds opnieuw onderzoeken hoe het in ons hart en leven is en ons bekeren van die dingen die scheiding maken tussen God en onze ziel. Laten wij aan de keizer, de koning en de belastingdienst geven wat hen toekomt en onszelf geheel overgeven aan God en God alleen. Gelooft in de Heere Jezus Christus, want dat alleen zal ons zaligen. Hij gaf Zijn leven opdat wij eeuwig zouden leven. Geef dan God wat God toekomt en ontvang uit genade de volle zaligheid nu en tot in de eeuwigheid. Amen.

Wilco Vos Veenendaal 02-09-2019