Woorden van Jezus - Ik zal u ook één woord vragen

30-08-2019

'En als Hij in den tempel gekomen was, kwamen tot Hem, terwijl Hij leerde, de overpriesters en de ouderlingen des volks, zeggende: Door wat macht doet Gij deze dingen? En Wie heeft U deze macht gegeven? En Jezus, antwoordende, zeide tot hen: Ik zal u ook een woord vragen, hetwelk indien gij Mij zult zeggen, zo zal Ik u ook zeggen, door wat macht Ik deze dingen doe. De doop van Johannes, van waar was die, uit den hemel, of uit de mensen? En zij overlegden bij zichzelven en zeiden: Indien wij zeggen: Uit den hemel; zo zal Hij ons zeggen: Waarom hebt gij hem dan niet geloofd? En indien wij zeggen: Uit de mensen: zo vrezen wij de schare; want zij houden allen Johannes voor een profeet. En zij, Jezus antwoordende, zeiden: Wij weten het niet. En Hij zeide tot hen: Zo zeg Ik u ook niet, door wat macht Ik dit doe, Matth. 21:23-27.'

Het is alweer twee dagen geleden dat Jezus op het ezelsveulen Jeruzalem is binnengereden. Twee dagen geleden weende Hij over Jeruzalem, die haar Messias niet heeft erkend als de Koning der Koningen. De Hosanna's hebben geklonken, de Tempel is door Jezus voor de tweede keer met Goddelijke autoriteit gereinigd, de zieken werden genezen en de kinderen zongen tot eer van God de Vader toen zij Jezus als de Zone Davids toezongen. De veelbelovende maar vruchteloze vijgenboom is verdord onder de vloek van Jezus, waarbij Hij de droevige les onderwees dat het Israël dat zo bevoorrecht was en er veelbelovend uitzag, niets anders was dan vruchteloos en daarom de vloek zou dragen.

Wat een lessen in die drie dagen, lessen voor Israël maar ook lessen voor ons, wie we ook zijn. De les die wij moeten leren is, dat God een genadig en Barmhartig God is Die geen lust heeft in de dood van de goddeloze maar daarin dat hij of zij zich bekeert en leeft. Zo heeft Hij Israël verkoren om een licht te zijn in deze wereld. Israël ontving het verbond, de wetgeving, de schaduwdiensten die spraken van de komende verzoening en de feesten, die allen zo heerlijk het heil in Christus bekendmaken. Maar toch heeft het grootste deel van Israël, niet willen buigen voor de levende God, zij hebben Hem niet geëerd met een hart vol liefde en overgave. Zij hebben Jezus niet erkend als hun Koning en Zaligmaker. Maar voordat we wijzen naar het ongelovige deel van Israël moeten wij bedenken hoeveel zegeningen Nederland heeft ontvangen en dan de vraag wat wij daarmee hebben gedaan. Als wij eerlijk zijn, dan moeten wij concluderen dat Nederland zich verder van God heeft afgekeerd dan ooit tevoren. Hoelang zal Nederland nog door kunnen gaan op deze verschrikkelijke Goddeloze weg? Maar voordat we naar het goddeloze deel van Nederland wijzen, dan is het goed om onszelf de vraag te stellen: Hoe is mijn leven? Is Jezus mijn Messias, Zaligmaker en Koning? Heb ik Hem zo lief dat ik verlang om zo te wandelen als Hij gewandeld heeft? Kunt u met Johannes zeggen, dat u Hem liefheeft omdat Hij u eerst heeft liefgehad? Dan zal het volgen van Hem geen zware last zijn maar een heilige vanzelfsheid, dan verlangt u ernaar om heilig te zijn zoals uw hemelse Vader heilig is. Maar lieve vrienden, bedenk dat als u niet wilt buigen voor Jezus de Zaligmaker, u Hem straks zult ontmoeten, of u nu wilt of niet, als de Koning der koningen en dan zal Hij als Rechter een rechtvaardig vonnis over u vellen en u vervloeken tot in eeuwigheid. Kies dan nu vandaag wie u dienen wilt! Het is of God de Schepper van hemel en aarde, door te geloven in Christus Jezus, of iets anders, hoe u het ook noemen wilt, het één is ten leven het ander tot de dood.

Jezus is opnieuw in de tempel gekomen. Hij verkondigde het Evangelie (Lukas 20:1) en terwijl Hij dit heerlijke levensreddende werk vervulde, kwamen de overpriesters, Schriftgeleerden en ouderlingen tot Hem. Zouden deze bestuurders van het volk ook begerig zijn naar de boodschap van redding en genade? Zij waren toch degenen die het volk onderwezen en erop toe zagen of het volk wandelde in de wegen van God? Maar nee, hun harten waren niet begerig naar het onderwijs van Jezus, zij ergerde zich aan Zijn optreden en verlangden naar de dag dat Hij zwijgen zou. Zij waren de door God aangestelde oversten van het volk, onder hun toezicht en met hun goedkeuring was de Tempel tot een rovershol geworden en dat had Jezus wel heel duidelijk gemaakt. Het volk liep achter Hem aan en dat moest maar eens afgelopen zijn. Midden in Zijn rede vielen zij Hem lastig. Zij stoorden er zich niet aan dat de Heiland met een hart vol liefde en bewogenheid het volk het Koninkrijk der hemelen onderwees. 'Door wat macht doet Gij deze dingen? En wie heeft U deze macht gegeven?' Klinkt hun onderzoekende vraag. Met andere woorden; "Hoe komt U erbij om de dingen die U doet, te doen? Hebben wij U deze macht gegeven, was het God of waren het de Romeinen?"

Jezus Die hun harten door en door kende, had hen met Goddelijke autoriteit kunnen wegsturen, Hij had hen kunnen bestraffen maar Hij stelde hen een wijze vraag. Een vraag die hen zou confronteren met hun eigen ongeloof. O dat vreselijke ongeloof dat zich zo vroom verpakt voor kan doen, dat vrome ongeloof dat zoveel duizenden zielen in het verderf heeft gestort en nog dagelijks stort. Wee die blinde leidslieden die dit op hun geweten hebben. Jezus antwoord Zijn ondervragers: 'Ik zal u ook een woord vragen, hetwelk indien gij Mij zult zeggen, zo zal Ik u ook zeggen, door wat macht Ik deze dingen doe.' Nee, Jezus werpt geen parelen voor de zwijnen, Hij is niet uit op een verhitte discussie maar stelt hen eenvoudig een vraag die zij moeten beantwoorden: 'De doop van Johannes, van waar was die, uit den hemel, of uit de mensen?' Wat een Goddelijke wijsheid openbaart Jezus hier. Eén vraag en de hele discussie wordt voorkomen. Hier zien we de functie van het tweesnijdende zwaard. Hoe ze ook zouden reageren, ze zouden zich snijden. Ze overleggen met elkaar: 'Indien wij zeggen: Uit den hemel; zo zal Hij ons zeggen: Waarom hebt gij hem dan niet geloofd? En indien wij zeggen: Uit de mensen: zo vrezen wij de schare; want zij houden allen Johannes voor een profeet.'

Johannes, van God gezonden, had gesproken dat Hij de stem was die riep in de woestijn: 'Maakt de weg des HEEREN recht, zoals Jesaja de profeet heeft gesproken.' Hij riep op tot bekering omdat het Koninkrijk der hemelen nabijgekomen was. Zij die kwamen, zijn woord geloofden en gehoorzaamden, bekeerden zich van hun zonden en lieten zich dopen. Maar toen hij de Farizeeën en de Sadduceeën zag komen, sprak hij: 'Gij adderengebroedsels! Wie heeft u aangewezen te vlieden van den toekomenden toorn?' Johannes sprak met de autoriteit die God hem gegeven had, Hij was niet bang voor de godsdienst maar ontmaskerde haar. Johannes besefte dat Hij de voorloper was van de komende Messias, daarom zei hij: 'Ik doop u wel met water tot bekering; maar Die na mij komt, is sterker dan ik, Wiens schoenen ik niet waardig ben Hem na te dragen; Die zal u met den Heiligen Geest en met vuur dopen.' Als Hij Jezus ziet komen zegt hij: 'Zie het Lam Gods, Dat de zonde der wereld wegneemt! Deze is het, van Welken ik gezegd heb: Na mij komt een Man, Die voor mij geworden is, want Hij was eer dan ik. En ik kende Hem niet; maar opdat Hij aan Israël zou geopenbaard worden, daarom ben ik gekomen, dopende met het water. En Johannes getuigde, zeggende: Ik heb den Geest zien nederdalen uit den hemel, gelijk een duif, en bleef op Hem. En ik kende Hem niet; maar Die mij gezonden heeft, om te dopen met water, Die had mij gezegd: Op Welken gij den Geest zult zien nederdalen, en op Hem blijven, Deze is het, Die met den Heiligen Geest doopt. En ik heb gezien, en heb getuigd, dat Deze de Zoon van God is, Joh. 1:29-34.' Johannes heeft op duidelijke wijze gesproken dat Jezus de Zoon van God is. De mensen hielden Johannes voor een profeet en als men Johannes geloofde dan moest men ook Jezus wel geloven.

Nu stonden de oversten, de Schriftgeleerden en de oudsten van het volk met een mond vol tanden. Want als zij zouden zeggen dat Johannes van God gezonden was, dan zouden ze daarmee ook de macht van Jezus als aan God moeten toeschrijven. Dit wilden zij niet. Maar als zij zouden zeggen dat Johannes van de mensen de macht gekregen had, dan zou het volk in opstand komen, want zij hielden hem voor een profeet. We zien hier hoe de bestuurders van het volk meer bevreesd zijn om het volk tegen zich te krijgen dan dat zij terugdeinzen om Jezus te vangen en in diskrediet te brengen. Ze kunnen niets anders antwoorden dan: 'Wij weten het niet.' Waarop Jezus antwoord: 'Zo zeg Ik u ook niet, door wat macht Ik dit doe.'

In navolging van Jezus is het beter om zinloze discussies te vermijden. Soms is één woord genoeg om een lange woordenstrijd, met als resultaat harde en koude harten, te voorkomen. Het Woord van God en alles wat het Koninkrijk der hemelen aangaat, zijn te kostbare parels om door zwijnen te laten vertrappen. Waarom zouden wij discussiëren over Goddelijke waarheden met hen die niet op zoek zijn naar de Waarheid? Als men niet gelooft dat God de Schepper van hemel en aarde is, hoe zal men dan in Hem geloven? Als men niet gelooft dat de Bijbel van Genesis tot Openbaring Gods heilige Woord is, hoe zal men dan in God geloven? Als iemand niet gelooft dat hij of zij een zondaar is, hoe zal hij of zij dan geloven in de Heere Jezus Christus Die Zichzelf overgaf tot in de dood om zondaren te redden? Als u niet gelooft dat God de Vader Zijn Zoon zond om u te redden, dan maakt u Hem tot een leugenaar en heeft het geen zin om verder te discussiëren over Goddelijke waarheden. Vrienden, aan u en mij de vraag: Behoren wij bij de groep onverschilligen waaronder we ook de discussiërende vrome ongelovigen rekenen of behoren wij bij hen die in de Heere Jezus Christus het Lam Gods hebben leren kennen, Die om onze zonden de dood is ingegaan? Hij is opgestaan! Hij leeft en allen die in Hem geloven zullen nooit beschaamd worden. Amen. 

Wilco Vos Veenendaal 10-06-2019