Woorden van Jezus – Verraadt gij de Zoon des mensen met een kus?

13-03-2020

'En als Hij nog sprak, zie, Judas, een van de twaalve, kwam, en met hem een grote schare met zwaarden en stokken, gezonden van de overpriesters en ouderlingen des volks. En die Hem verried, had hun een teken gegeven, zeggende: Dien ik zal kussen, Dezelve is het; grijpt Hem. En terstond komende tot Jezus, zeide hij: Wees gegroet, Rabbi; en hij kuste Hem. Maar Jezus zeide tot hem: Vriend, waartoe zijt gij hier? Toen kwamen zij toe en sloegen de handen aan Jezus en grepen Hem. En zie, een van degenen die met Jezus waren, de hand uitstekende, trok zijn zwaard uit, en slaande den dienstknecht des hogepriesters, hieuw zijn oor af. Toen zeide Jezus tot hem: Keer uw zwaard weder in zijn plaats; want allen die het zwaard nemen, zullen door het zwaard vergaan. Of meent gij dat Ik Mijn Vader nu niet kan bidden, en Hij zal Mij meer dan twaalf legioenen engelen bijzetten? Hoe zouden dan de Schriften vervuld worden, die zeggen dat het alzo geschieden moet? Te zelver ure sprak Jezus tot de scharen: Gij zijt uitgegaan als tegen een moordenaar, met zwaarden en stokken, om Mij te vangen; dagelijks zat Ik bij u, lerende in den tempel, en gij hebt Mij niet gegrepen; Doch dit alles is geschied, opdat de Schriften der profeten zouden vervuld worden. Toen vluchtten al de discipelen, Hem verlatende, Matth. 26:47-56.'

In gedachten verplaatsen wij ons naar de hof van Gethsémané de plaats waar de olijven geperst werden en waar Jezus de Christus geperst is geworden in grote angst en strijd om de zonden van de mensheid te verzoenen. De strijd die daar gestreden is was niet vanwege de angst voor het kruis of de bespottingen maar omdat de helse strijd daar tot het hoogtepunt kwam waarbij Jezus Zich geheel aan Vader overgaf met de woorden: 'Uw wil geschiedde.' Christus, de zondeloze, is tot zonde gemaakt; 'Want Dien, Die geen zonde gekend heeft, heeft Hij zonde voor ons gemaakt, opdat wij zouden worden rechtvaardigheid Gods in Hem, 2 Ko. 5:21.' Christus zag hoe Hij daar aan het kruis tot een vloek zou worden om vervloekten te verlossen van schuld en zonden. Na deze diepe strijd, waaruit Hij als Overwinnaar kwam, sprak Hij tot de discipelen: 'De ure is nabijgekomen, en de Zoon des mensen wordt overgeleverd in de handen van de zondaren...Zie, hij is nabij die Mij verraadt.' Terwijl Hij nog spreekt komt daar een grote groep mensen met zwaarden en stokken. Zij zijn gezonden door de overpriesters en de ouderlingen onder leiding van Judas, die zolang met Jezus was opgetrokken. Dan horen we Jezus, Die naar voren treed en wel wist wat er komen zou: 'Wien zoekt gij? Joh. 18:4.' Het antwoord klinkt: 'Jezus den Nazaréner.' Waarop Jezus zegt: 'Ik ben het, Joh. 18:5.'

Hier staat de grote 'Ik Ben' als de Bron van Leven, als de Koning van het rijk der hemelen tegenover de machten van de duisternis. Het helse slangenvergif dat sinds de zonde van Adam het mensdom heeft vergiftigt heeft in haar verschrikkelijke bedwelming het hart van Judas geheel vergiftigt. Zolang met de lang beloofde Messias opgetrokken, zoveel liefde en goedheid gezien en genoten om dan nu als aanvoerder van een legerbende de Heiland van de wereld tegemoet te lopen, Hem te groeten en een kus te geven ten teken dat Hij het is die gevangen genomen moet worden: 'Wees gegroet, Rabbi; en hij kuste Hem.' Jezus, voor Wie deze daad geen verrassing was, maar met Judas de hand in de schotel had gedoopt, antwoord: Vriend, waartoe zijt gij hier? En in Lukas 22 lezen we: 'Judas, verraadt gij den Zoon des mensen met een kus?' Judas, vriend, verraadt jij Hem, Die gekomen is om de Mensen te redden met een kus, de uiting van liefde en broederschap?

Vrienden, wat een onbevattelijke genade bewijst de Heere Jezus Christus hier, Hij Die alle macht heeft in hemel en op aarde, Hij die de hemel en de aarde schiep, liet Zich kussen door hem wiens hart geheel door satan was ingenomen. Dat Jezus ook hier alle macht had, bewijst het wonderlijke dat er gebeurt op het moment dat Jezus Zich als de 'Ik Ben' openbaart. Zij die kwamen met zwaarden en stokken als of zij een gewelddadige oproerkraaier moesten vangen, vallen achterover (Joh. 18:6). Terwijl zij overeind krabbelen, klinkt opnieuw de vraag: 'Wien zoekt gij?' Weer antwoorden zij: 'Jezus de Nazaréner.' Dan zegt Hij: 'Ik heb u gezegd, dat Ik het ben. Indien gij dan Mij zoekt, zo laat dezen heengaan, Joh. 18:7,8.'

Gewillig treedt Hij naar voren waarbij Hij optreed als Middelaar voor Zijn volgelingen. Als het jullie om Mij te doen is, laat dan Mijn volgelingen gaan. Daar staan Judas en Petrus tegenover elkaar. De lafaard en de strijder. De één met een hart vol helse haat en de ander met een hart vol vurige liefde. Petrus ziet hoe Zijn lieve Meester wordt gegrepen, hij kan zich niet langer bedwingen maar grijpt zijn zwaard en slaat het oor van Malchus, de dienstknecht van de hogepriester, van zijn hoofd (Joh. 18:10). Petrus kent nu geen angst, in zijn vurigheid vreest hij geen vijand maar zal vechten, al moest hij ook met Jezus sterven. Dan klinkt de stem van zijn Meester: 'Steek uw zwaard in de schede. Den drinkbeker, dien Mij de Vader gegeven heeft, zal Ik dien niet drinken? Joh. 18:11.' Jezus zag niet op de zwaarden en de stokken, Hij zag niet op de bende die voor Hem stond maar richtte Zijn oog omhoog en wist dat wat Vader doet, goed is. Hoor wat Hij zegt: 'Want allen die het zwaard nemen, zullen door het zwaard vergaan. Of meent gij dat Ik Mijn Vader nu niet kan bidden, en Hij zal Mij meer dan twaalf legioenen engelen bijzetten? Hoe zouden dan de Schriften vervuld worden, die zeggen dat het alzo geschieden moet?' Petrus, als je nu het zwaard neemt, dan doe je dat in eigen kracht en elk zwaard dat niet op Gods bevel wordt getrokken zal zich uiteindelijk tegen de zwaardtrekker keren. Nee, Jezus verliest hier niet de controle en wordt ook niet overwonnen door een afdeling Romeinse soldaten, één gebed en Vader zal Hem meer dan twaalf keer zesduizend engelen zenden, maar hoe zou dan het heilsplan tot vervulling komen? De profeten hadden gezegd in Psalm 22:7: 'Maar ik ben een worm en geen man, een smaad van mensen, en veracht van het volk.' En in Psalm 69:2 en 10 'Verlos mij, o God! want de wateren zijn gekomen tot aan de ziel... Want de ijver van Uw huis heeft mij verteerd; en de smaadheden dergenen, die U smaden, zijn op mij gevallen.' Petrus met de andere discipelen maar ook wij moeten beseffen dat Jezus Zich gevangen liet nemen om gebondenen tot vrijheid te kunnen brengen. Het was alles voorzegt: 'Mijn bekenden hebt Gij verre van mij gedaan, Gij hebt mij hun tot een groten gruwel gesteld; ik ben besloten, en kan niet uitkomen, Ps. 88:9.'

Hij sprak: 'Laat hen tot hiertoe geworden.' De macht die zij nu nemen hebben zij alleen omdat de hemelse Vader het toelaat, er is niets dat zij doen kunnen zonder Zijn toestemming. Jezus, Wiens Naam is; Wonderlijk, Raad, sterke God, Vader der eeuwigheid en Vredevorst, raakt het oor van Malchus aan en geneest het (Luk 22:51). Wie kan Zijn liefde peilen wie kan Zijn macht doorgronden? Vrienden als je nog nooit je hart verloren hebt in Zijn liefde, bestudeer dan Zijn woorden en ontdek dat Hij niet gekomen is om zondaren te verdoemen maar om te behouden. Hij gaf Zich hier gewillig, opdat wij in Hem het leven zouden vinden. Wij hadden daar moeten staan, wij hebben het verdiend om geslagen, veroordeeld en gedood te worden maar Hij nam de plaats in opdat berouwvolle zondaren met en in Hem het eeuwige leven zouden beërven.

Dan klinkt Zijn stem tot hen die met zwaarden en stokken tegenover Hem staan: 'Als Ik dagelijks met u was in den tempel, zo hebt gij de handen tegen Mij niet uitgestoken; maar dit is uw ure, en de macht der duisternis, Luk. 22:53.' Drie jaren heeft Jezus onder hen gewandeld, al die tijd bewees Hij de lang beloofde Messias te zijn en hoewel de farizeeërs en de Schriftgeleerden Jezus hebben gehaat met een dodelijke haat, hebben zij Hem niet kunnen grijpen. Maar nu was de tijd gekomen, nu kreeg de macht van de duisternis de ruimte om zich te storten op haar prooi, waarbij satan dacht te overwinnen. God zij dank heeft satan niet geweten wat hij deed, het was verborgen opdat Gods heilsplan voor de verloren wereld tot vervulling zou komen. We lezen in 1 Korinthe 2:8 en 9 over dezeverborgenheid 'Welke niemand van de oversten dezer wereld gekend heeft; want indien zij ze gekend hadden, zo zouden zij den Heere der heerlijkheid niet gekruist hebben.' Terwijl het heilsplan hier haar voortgang vindt, verlaten de discipelen, al vluchtend hun Meester. Wat zal er in hun harten zijn omgegaan? Vrienden, wat zouden wij gedaan hebben? Nu wij weten dat Hij dit deed om ons te redden is de grote vraag of wij onszelf al hebben overgeven in de handen van de Almachtige God, rustend in Zijn welbehagen. Als een Lam werd Hij ter slachting geleid, de vraag is of Hij voor ons onze enige Hoop en verwachting, de Bron van vrede, vreugde en liefde is geworden. 'Zalig zijn zij, welker ongerechtigheden vergeven zijn, en welker zonden bedekt zijn, Rom. 4:7.' Hallelujah, lof zij het Lam.

Wilco Vos Veenendaal 24-02-2020