M35 De wet een tuchtmeester tot Christus. Galaten 3:24

31-08-2012 16:24

Wat wordt er bedoeld met "de wet een tuchtmeester tot Christus"? Voor wie is de wet eigenlijk bedoeld? Moeten wij de wet houden om zalig te worden? Zijn gelovigen (kinderen van God) eigenlijk wel onder de wet? Moeten wij de zondag verplicht houden? Mogen wij alles eten en drinken? Wat een vragen kunnen er in ons opkomen als wij Gods Woord gaan onderzoeken. Wat is het heerlijk en bevrijdend om Gods Woord te raadplegen in al deze vragen. Niet te vragen wat deze geleerde theoloog of die geleerde Rabbijn ons zegt, maar eenvoudig te luistenen naar Gods eigen stem.


Het is goed om in de eerste plaats duidelijk te zien dat de wet gegeven is aan het volk Israël, nadat zij uit Egypte zijn bevrijd.  De eerste 1500 jaar van de wereldgeschiedenis leefde men zonder de wetten van Mozes. De geloofshelden uit Hebreeën 11, Abel, Henoch, Noach, Abraham, Sara, Izak, Jacob, en Jozef hebben dus geleefd zonder dat zij een beschreven wet hadden. Al direct na de zondeval in Genesis 3, geeft God de heerlijke belofte dat het Zaad, de Heere Jezus Christus, de kop van satan zou vermorzelen. Dan zo’n 2000 jaar later ontvangt Abraham de belofte dat alle volken der aarde gezegend zullen worden in het Zaad, de Heere Jezus Christus, die uit hem geboren zou worden (Gen. 22:18). Het volk Israël werd uit Egypte geleid, en afgezonderd van de wereld moesten zij leven zonder zich te vermengen met de heidense volkeren. De wet is hun gegeven opdat zij zien zouden dat alleen genade hun leven redden kon. Hoe hadden ze geroepen ‘Al wat de HEERE gesproken heeft, zullen wij doen Ex. 19:8 en 24:3’ ze waren vast van plan om te gehoorzamen. Als Mozes op de berg is vergeten ze hun belijdenis en belofte en maken een gouden kalf waarvoor ze offeren.

‘Vervloekt is een iegelijk die niet blijft in al hetgeen geschreven is in het boek der wet, om dat te doen, Gal. 3:10 en Deut. 27:26.’ Wat anders dan genade kon deze vervloekte Israëlieten nog redden?

We zien nu al, dat er niemand zal kunnen zalig worden door de wet te houden. Er is ook niemand op aarde die de wet volmaakt kan houden. ‘Want wie de gehele wet zal houden, en in één zal struikelen, die is schuldig geworden aan alle, Jak. 2:10.’ U en ik, wij kunnen de wet niet houden, net zo min als Israël dat kon.

De Bijbelse boodschap leert ons dat wij uit de werken niet rechtvaardig kunnen worden.

‘Daarom zal uit de werken der wet geen vlees gerechtvaardigd worden voor Hem; want door de wet is de kennis der zonde, Rom. 3:20.’

‘En dat niemand door de wet gerechtvaardigd wordt voor God, is openbaar; want de rechtvaardige zal uit het geloof leven, Gal. 3:11.’

‘Want uit genade zijt gij zalig geworden door het geloof, en dat niet uit u, het is Gods gave; Niet uit de werken, opdat niemand roeme, Ef. 2:8,9.’

‘Doch wetende dat de mens niet gerechtvaardigd wordt uit de werken der wet, maar door het geloof van Jezus Christus, zo hebben wij ook in Christus Jezus geloofd, opdat wij zouden gerechtvaardigd worden uit het geloof van Christus en niet uit de werken der wet; daarom dat uit de werken der wet geen vlees zal gerechtvaardigd worden, Gal. 2:16.’

‘Wij besluiten dan dat de mens door het geloof gerechtvaardigd wordt, zonder de werken der wet, Rom. 3:28.’ Wij allen, niemand uitgezonderd worden alleen door het geloof gerechtvaardigd.

We willen nog even terugkomen op het feit dat de wet is gegeven aan het volk Israël. ‘Daar gaf Ik hun Mijn inzettingen, en maakte hun Mijn rechten bekend; dewelke, zo ze een mens doet, zal hij door dezelve leven, Ezechiël 20:11.’ De wet is dus niet gegeven aan de heidenen!

Paulus de Apostel, een tot God bekeerde Jood, die eens alles wilde uitroeien wat geloofde in de Heere Jezus, verstond als geen ander wat het wilde zeggen onder de wet te leven zonder deze te verstaan. ‘En zonder de wet, zo leefde ik eertijds; maar als het gebod gekomen is, zo is de zonde weder levend geworden, doch ik ben gestorven. Rom. 7:9.’ Toen Gods Geest hem overtuigde van zijn zonden, gingen zijn zonden leven en zag hij dat hij de wet niet houden kon, alle hoop op het behoud door de wet stierf. ‘Want ik ben door de wet der wet gestorven, opdat ik Gode leven zou, Gal. 2:19.’

Nu Paulus mocht leven uit en door genade onderwees hij Jood en heiden dat alleen het geloof in de Heere Jezus Christus ons red van de dood. Wet en Evangelie mogen niet met elkaar vermengd worden.  Paulus leert ook onomwonden dat de wet gegeven is aan Israël.

‘Gij, die de wet ontvangen hebt door bestellingen der engelen, en hebt ze niet gehouden, Hand. 7:53.’

‘Zie, gij wordt een Jood genaamd, en rust op de wet, en roemt op God, Rom. 2:17.’

‘Welke Israëlieten zijn, welker is de aanneming tot kinderen, en de heerlijkheid, en de verbonden, en de wetgeving, en de dienst Gods , en de beloftenissen, Rom. 9:4.’

Dit is voor de godsdienstige mens niet te vatten, wij willen zelf werken om ons behoud, we willen niet zalig worden uit genade alleen! We zagen dat al in het begin van de eerste Christengemeenten de discussie op gang kwam. In Handelingen 15 lezen we hoe de bekeerde Joden tot de bekeerde heidenen in Antiochië kwamen met de boodschap: ‘Indien gij niet besneden wordt naar de wijze van Mozes, zo kunt gij niet zalig worden, Hand. 15:1.’  De christenen raakten aan het wankelen door de woorden dat zij besneden moesten worden en de wet moesten onderhouden. We lezen verder in Handelingen 15 hoe Paulus, Bárnabas, Bársabas en Silas overkomen naar deze gemeente met de volgende woorden: ‘Want het heeft den Heiligen Geest en ons goedgedacht, ulieden geen meerderen last op te leggen dan deze noodzakelijke dingen: Namelijk dat gij u onthoudt van hetgeen den afgoden geofferd is, en van bloed, en van het verstikte, en van hoererij; van welke dingen, indien gij uzelven wacht, zo zult gij wel doen. Vaart wel, Vers 28 en 29.’

Deze zaken die hier opgenoemd worden zouden een studie op zich waard zijn.

-          Onthouden van hetgeen de afgoden geofferd is.

Dit betekent niet dat we per definitie geen vlees mogen eten dat de afgoden geofferd is, omdat voor ons een afgod geen enkele waarde heeft. Maar als wij door het eten van dit vlees onze naasten in twijfel brengen, dan moeten wij dit niet doen. Lees 1 Kor. 8 en 1 Kor. 10 voor de uitleg die Paulus daar geeft.

-          Van het bloed en het verstikte

Toen Noach uit de ark kwam mocht hij naast al de vruchten en de groenten die zij gewend waren te eten nu ook vlees eten. God gaf daar een gebod bij: ‘Al wat zich roert, dat levend is, zij u tot spijze; Ik heb het u alles gegeven, gelijk het groene kruid. Doch het vlees met zijn ziel, dat is zijn bloed, zult gij niet eten, Gen 9:3,4.’ Het bloed stelt het leven voor en uit eerbied tot het leven moeten we ons hiervan onthouden. Het gaat dan om het nuttigen van bloed. Als een dier stikt slaat het bloed door het vlees, en ontkomen we er niet aan dat we dit bloed nuttigen. Vandaar het verbod op het eten van het verstikte. Met eerbied omgaan met het leven, betekent dat als men een dier dood om te eten men eerst het bloed laat weglopen waarna het verder bereid wordt voor de maaltijd. Het rode sap dat uit een biefstuk loopt is geen bloed maar myoglobine, een zuurstofoverbrenger. Daarentegen moeten we ons onthouden van bijvoorbeeld bloedworst omdat dat hoofdzakelijk bereid wordt van bloed.

-          Van hoererij

Dit gebod is een heilig gebod, de overtreding hiervan gaat tegen de gehele scheppingsorde in.

Het blijkt nu dat de wet van Mozes niet gegeven is aan de heidenen en niet heerst over de bekeerde heidenen (christenen). De wet werd door Paulus de bediening des doods en de bediening der verdoemenis genoemd tegenover het Evangelie der heerlijkheid des Zaligen Gods (1 Tim. 1 :11).

Maar waarom is er dan een wet gegeven?

‘Waartoe is dan de wet? Zij is om der overtredingen wil daarbij gesteld, totdat het Zaad zou gekomen zijn, Wien het beloofd was; en zij is door de engelen besteld in de hand des middelaars, Gal. 3:19.’ De mens van nature een zondaar, kan niet anders dan zondigen en om de zonde kenbaar te maken gaf God de wet. Totdat het Zaad, de Heere Jezus Christus gekomen zou zijn. ‘Maar de wet is bovendien ingekomen, opdat de misdaad te meerder worde; en waar de zonde meerder geworden is, daar is de genade veel meer overvloedig geweest, Rom. 5:20.’ Juist omdat de wet de zonde laat zien, schittert de genade daartegenover. ‘Wij weten nu dat al wat de wet zegt, zij dat spreekt tot degenen die onder de wet zijn; opdat alle mond gestopt worde en de gehele wereld voor God verdoemelijk zij, Rom 3:19.’ Niemand kan dan ook enig leven verwachten door het houden van de wet. De wet laat immers zien dat wij schuldig zijn en de verdoemenis (veroordeling) verdienen. ‘Daarom zal uit de werken der wet geen vlees gerechtvaardigd worden voor Hem; want door de wet is de kennis der zonde, Rom. 3:20.’

We hebben gezien dat de wet gegeven was totdat het Zaad gekomen zou zijn. (Gal. 3:19.) Er is geschreven in het Oude Testament. Dat een ieder die de wet overtreedt vervloekt is. (Deut. 27:26, Gal. 3:10.) Nu is Christus gekomen en ‘heeft ons verlost van den vloek der wet, een vloek geworden zijnde voor ons; want er is geschreven: Vervloekt is een iegelijk die aan het hout hangt, Gal. 3:13.’ Wat een heerlijk Evangelie. Hij nam vrijwillig al onze schuld en straf op Zich, werd voor ons een vloek om ons te verlossen van het oordeel. Hij verloste ons van schuld en zonde en wij werden van kinderen des toorns, kinderen van het Licht. Verzoend met God de Vader door het bloed van Hem die ons heeft liefgehad en voor ons stierf toen wij nog zondaars waren. (Rom. 5:8) Als wij dit geloven dan is er geen wet die ons tuchtigt, en geen veroordeling meer aan ons adres. ‘Zo dan, de wet is onze tuchtmeester geweest tot Christus, opdat wij uit het geloof zouden gerechtvaardigd worden, Gal. 3:24.’ De tuchtmeester was noodzakelijk totdat Christus kwam. ‘Want het einde der wet is Christus, tot rechtvaardigheid een iegelijk die gelooft, Rom. 10:4.’

Zij die geloven en schuilen achter het bloed van Christus de Zaligmaker geloven van ganser harte dat zij met Hem zijn gestorven en begraven maar ook weer opgestaan (Rom. 6). Al het oude is voorbijgegaan en ziet het is alles nieuw (2 Kor. 5:17) en belijden dan ook met Paulus. ‘Want ik ben door de wet der wet gestorven, opdat ik Gode leven zou. Ik ben met Christus gekruist; en ik leef, doch niet meer ik, maar Christus leeft in mij; en hetgeen ik nu in het vlees leef, dat leef ik door het geloof des Zoons Gods, Die mij liefgehad heeft en Zichzelven voor mij overgegeven heeft Gal. 2:19,20.’ Zoals in het natuurlijke de wet geen zeggenschap meer heeft over een dode, zo is het ook in het geestelijke. De gelovige is dood voor de wet! ‘Weet gij niet, broeders (want ik spreek tot degenen die de wet verstaan), dat de wet heerst over den mens, zo langen tijd als hij leeft? Want een vrouw die onder den man staat, is aan den levenden man verbonden door de wet; maar indien de man gestorven is, zo is zij vrijgemaakt van de wet des mans. Daarom dan, indien zij eens anderen mans wordt terwijl de man leeft, zo zal zij een overspeelster genaamd worden; maar indien de man gestorven is, zo is zij vrij van de wet, alzo dat zij geen overspeelster is als zij eens anderen mans wordt. Zo dan, mijne broeders, gij zijt ook der wet gedood door het lichaam van Christus, opdat gij zoudt worden eens Anderen, namelijk Desgenen Die van de doden opgewekt is, opdat wij Gode vruchten dragen zouden. Want toen wij in het vlees waren, wrochten de bewegingen der zonden, die door de wet zijn, in onze leden, om den dood vruchten te dragen. Maar nu zijn wij vrijgemaakt van de wet, overmits wij dien gestorven zijn, onder welken wij gehouden waren; alzo dat wij dienen in nieuwigheid des Geestes, en niet in de oudheid der letter. Wat zullen wij dan zeggen? Is de wet zonde? Dat zij verre. Ja, ik kende de zonde niet dan door de wet; want ook had ik de begeerlijkheid niet geweten zonde te zijn , indien de wet niet zeide: Gij zult niet begeren, Rom. 7:1-7.’

Staat dan in de vrijheid met welke ons Christus vrijgemaakt heeft, en wordt niet wederom met het juk der dienstbaarheid bevangen, Gal. 5:1.’ Wat een heerlijke vrijheid, ontvangen in Christus. Vrijheid om ongebonden te leven tot eer van God de Vader, tot eer van God de Zoon, geleid door God de Heilige Geest, o wat een vreugde om een kind van God te zijn.

Maar, zo zouden we kunnen vragen, maakt dit dan geen losbandige zondaren van ons? Zolang wij nog onder de wet meende God te kunnen behagen, lagen we dood in zonden en misdaden, onder de vloek van de wet. Door te menen de wet te onderhouden en ondertussen met gedachten woorden en werken de geboden te overtreden, maakten wij onze schuld groter en probeerde die te verbloemen met goede werken. Maar nu. Verlost van schuld en zonden door het dierbare geloof in de Heere Jezus Christus, staan wij in de vrijheid met welke Christus ons vrijgemaakt heeft en hebben de Heilige Geest ontvangen die in ons woont. ‘Maar Die ons met u bevestigt in Christus, en Die ons gezalfd heeft, is God, Die ons ook heeft verzegeld, en het onderpand des Geestes in onze harten gegeven, 2 Kor. 1:21,22.’‘In Welken ook gij zijt , nadat gij het Woord der waarheid, namelijk het Evangelie uwer zaligheid, gehoord hebt; in Welken gij ook, nadat gij geloofd hebt, zijt verzegeld geworden met den Heiligen Geest der belofte, Ef. 1:13.’ Nu de Geest in ons woont, kunnen we wandelen door de Geest: ‘Opdat het recht der wet vervuld zou worden in ons, die niet naar het vlees wandelen, maar naar den Geest, Rom. 8:4.’ Paulus roept de gelovigen op: En ik zeg: Wandelt door den Geest, en volbrengt de begeerlijkheid des vleses niet. Want het vlees begeert tegen den Geest, en de Geest tegen het vlees; en deze staan tegen elkander, alzo dat gij niet doet hetgeen gij wildet. Maar indien gij door den Geest geleid wordt, zo zijt gij niet onder de wet. De werken des vleses nu zijn openbaar; welke zijn overspel, hoererij, onreinheid, ontuchtigheid, Afgoderij, venijngeving, vijandschappen, twisten, afgunstigheden, toorn, gekijf, tweedracht, ketterijen, Nijd, moord, dronkenschappen, brasserijen en dergelijke; van dewelke ik u tevoren zeg, gelijk ik ook tevoren gezegd heb, dat die zulke dingen doen, het Koninkrijk Gods niet zullen beërven. Maar de vrucht des Geestes is liefde, blijdschap, vrede, lankmoedigheid, goedertierenheid, goedheid, geloof, zachtmoedigheid, matigheid. Tegen de zodanigen is de wet niet. Maar die van Christus zijn, hebben het vlees gekruist met de bewegingen en begeerlijkheden. Indien wij door den Geest leven, zo laat ons ook door den Geest wandelen. Laat ons niet zijn zoekers van ijdele eer, elkander tergende, elkander benijdende, Gal. 5:16-26.’

We zien dus dat als we wandelen door de Geest, wij de wet bevestigen. ‘Doen wij dan de wet teniet door het geloof? Dat zij verre; maar wij bevestigen de wet, Rom. 3:31.’ Het is dan ook niet zo dat de wet niet goed is, ‘Alzo is dan de wet heilig, en het gebod is heilig en rechtvaardig en goed, Rom. 7:12.’ Nee, de wet is heilig en volmaakt, zoals God volmaakt is, alleen wij zijn bevrijd van de wet en als kinderen Gods wandelen wij niet als slaven maar als vrijen, niet onder dwang maar door de liefde. En juist deze liefde die God Zelf in onze harten heeft gewerkt, overwint de zonde omdat we drijven op genade in de wetenschap dat van ons geen goeds te verwachten is. Hoe meer we dit mogen inleven, hoe meer we de genade gaan bewonderen. Dit drijft ons uit tot Christus onze Zaligmaker, Hij wordt in onze ogen steeds groter, en wij worden steeds kleiner, totdat we straks voor altijd in volmaaktheid bij Hem zullen zijn.

‘Dat u dan niemand oordele in spijze of in drank, of in het stuk des feest dags of der nieuwe maan of der sabbatten, Welke zijn een schaduw der toekomende dingen, maar het lichaam is van Christus. Dat dan niemand u overheerse naar zijn wil in nederigheid en dienst der engelen, intredende in hetgeen hij niet gezien heeft, tevergeefs opgeblazen zijnde door het verstand zijns vleses; En het Hoofd niet behoudende, uit Hetwelk het gehele lichaam, door de samenvoegselen en samenbindingen voorzien en samengevoegd zijnde, opwast met Goddelijken wasdom. Indien gij dan met Christus de eerste beginselen der wereld zijt afgestorven, wat wordt gij, gelijk of gij in de wereld leefdet, met inzettingen belast, Namelijk raak niet, en smaak niet, en roer niet aan? Welke dingen alle verderven door het gebruik, ingevoerd naar de geboden en leringen der mensen; Dewelke wel hebben een schijn rede van wijsheid in eigenwilligen gods dienst en nederigheid, en in het lichaam niet te sparen, doch zijn niet in enige waarde, maar tot verzadiging des vleses, Kol. 2:16-23.’

Geve de Heere een rijke zegen in het overdenken, onderzoeken en het leven in de vrijheid, tot eer van Zijn Heilige Naam. Amen.