M01 Loon of gift. Rom. 6:23

06-01-2012 00:00

Een rijke heer sprak geregeld tot zijn knecht vanuit Gods Woord, zijn knecht was zeker niet ongeïnteresseerd maar lang niet alles begreep hij. Hoe kon Adam nu zo dom zijn geweest om te eten van de verboden boom. Nee, hij zou wel wijzer geweest zijn, Adam had alles in volmaakte heerlijkheid, dan eet je toch niet van de vrucht van die ene boom die God verboden heeft.

Als Adam nu niet gegeten had dan had alles er nu nog anders uitgezien. De heer kon zijn knecht niet overtuigen dat wij allen hetzelfde zijn en dat ook wij van deze boom gegeten zouden hebben.

Op een dag riep de heer zijn knecht bij zich, "Ik ga een verre reis maken"zo sprak hij "en jij hebt het opzicht over al mijn goederen, alles is van jou maar let op, op het fornuis staat één pan, daar mag je niet aankomen." De heer ging op reis en de knecht bleef achter als beheerder van veel goeds. Hij genoot van de vrijheid die de heer hem geschonken had. Op een dag stond hij voor het fornuis en zag de pan waar hij niet aan mocht zitten. De woorden van zijn heer kwamen in zijn gedachten "aan die pan mag je niet zitten". Het was een aantal dagen later, weer zag hij die pan, "wat zou er nu toch voor een bijzonders met die pan zijn" zo dacht de knecht, "van alle rijkdom en alle bezitting mag ik vrijelijk genieten en aan deze ene pan mag ik niet zitten". Het was weer wat later, weer zag de knecht de pan, de gedachte kwam in hem op om heel eventjes een kijkje te nemen in de pan, dat zou toch vast geen kwaad kunnen, heel eventjes maar, alleen kijken, verder niets. Maar nee, zijn heer had het immers verboden. Maar ach weer kwam daar een moment, dat de knecht voor de pan stond, zijn hand ging naar het deksel en eventjes gluurde hij in de pan, hij zag niets vreemds, deed het deksel iets verder open en ploep daar sprong een  kikker uit de pan. Op hetzelfde moment voelde de knecht hoe dwaas hij was geweest, alles had zijn heer in zijn handen gegeven behalve deze ene pan, en juist deze pan was het die hem in zijn greep hield. Hoe had hij het vertrouwen van zijn heer beschaamd, hoe had hij zo ongehoorzaam kunnen zijn. Hoe zag deze knecht nu pijnlijk onder ogen dat hij geen haar beter was dan Adam. Nee vast, ook hij zou gegeten hebben van de boom der kennis des goeds en des kwaads.

 

Hoe schetst dit verhaal niet ons aller beeld. U en ik, zijn wij niet allen het zelfde, hoe heeft juist datgene wat ons verboden wordt niet een sterke uitwerking op ons. Eventjes maar, zo spreekt een stemmetje in ons, één keer maar, ach dat kan toch geen kwaad. Weer een ander stemmetje zegt, nee niet doen hoor, en zo kan een hevige strijd in ons ontstaan om iets wat eigenlijk geen waarde heeft. En toch hoe vaak verliezen we het en doen we nu net dat wat ons verboden is, we weten ons er vaak wel van af te maken met een, ach één keer maar, of, dat is toch zo erg niet, maar toch het was ons verboden. We voelen dat ondanks onze verontschuldigingen er een onrust is gekomen die zich daarvoor niet voordeed. En ach, bleef het maar bij die ene keer. Was het maar die pan, nee wij vallen dagelijks in overtredingen. De grotere overtredingen verdringen de schuld van de kleinere overtredingen, we denken er al niet eens meer aan. En op den duur gevoelen we geen verschil meer tussen goed en kwaad. We zijn hard en verhard geworden.

 

Er is een God in de hemel die hemel en aarde heeft geschapen, alles in een volmaakte harmonie. Alles ademde van Gods heerlijkheid er was vrede op aarde. God zag alles wat Hij gemaakt had en zag dat het zeer goed was. En wat was nu het aller mooiste wat God gemaakt had, niet de heerlijke reine hemel, niet de schitterende aarde, niet de reusachtige bergen of de prachtige dieren, maar de mens. God sprak, laat Ons mensen maken naar Ons beeld en Onze gelijkenis. De mens werd geschapen als het pronkjuweel op Gods heerlijke schepping, geschapen in het Beeld Gods in ware kennis gerechtigheid en heiligheid. Maar zoals wij weten is het niet gebleven in deze heerlijke staat, Adam is gevallen door dat hij Gods gebod heeft overtreden, hij heeft gegeten van de boom der kennis des goeds en des kwaads. Met dit eten heeft Hij God tot een leugenaar gemaakt, hij geloofde immers de duivel. Hij is gezwicht door de verleiding en de begeerte tot het onbekende maar verbondene. En toch God had gesproken, ten dage als ge daarvan eet, zult ge de dood sterven. O, Adam hoe vreselijk heb je gezondigd.

 

Romeinen 6:23

 Want de bezoldiging der zonde is de dood, maar de genadegift Gods is het eeuwige leven, door Jezus Christus, onzen Heere.

 

We zagen reeds dat we allen hetzelfde zijn als Adam, Als wij in het paradijs hadden gestaan, waren wij in dezelfde vreselijke zonde gevallen. We kunnen wel wat dichterbij komen, het paradijs is al weer zo'n 6000 jaar geleden en nog hebben wij mensen niets geleerd van onze fouten. Hoe staat het er nu met ons voor? Kunnen wij wel één dag leven zonder tegen Gods geboden op te staan. Of herkennen wij ook een stemmetje die zegt, ach doe niet zo moeilijk. Heel eventjes maar, dit is vast niet zo erg, en dan erbij, niemand ziet ons toch. Heeft u ook zo'n last van uw boze lusten, uw vuile begeerten, uw gierigheid of die trotse hoogmoed?

's morgen staat u op met de gedachte, vandaag wordt het beter, u belooft het beter te doen en ach daar stoot u uw kleine teentje tegen het bed. U loopt met uw hoofd tegen de deur, u zit te eten en u morst over uw schone blouse en dat nog wel net de laatste.

Ach waar hebben we het over, laten we eens verder kijken, heeft u ook zo'n moeite met een God die zoveel armoede, leed, rampen en oorlogen toelaat? Hoe kan dit toch bestaan?  Zoveel onschuldige mensen die sterven door allerhande ellendige rampen, moet dat nu echt zo?

U komt 's avond thuis en bent vermoeid van het harde werken, of u bent moe van het drukke huishouden, u zoekt wat ontspanning, wat heet ontspanning, u leest een onschuldig boek, een boek waarin moord en doodslag centraal staat, of een boek waar een onschuldig overspelig drama zich afspeelt, misschien heeft u helemaal geen behoefte aan zulke romans, u pakt een onschuldige film, een film waarin niet gevloekt wordt en het liefst niet wordt doodgeslagen. Een beetje knuffelen kan geen kwaad, u bedenkt zich echter niet dat deze actrice een acteur voor zich heeft die haar echtgenoot niet is. Leg uw ontspanning eens naast Gods Heilige wet, en bedenk eens hoeveel moord, overspel, leugen en godslasteringen, lachen en gek doen u proberen te ontspannen. O, mensen onze wetten zijn zo geheel anders dan Gods wetten, wat wij vergoelijken is in Gods ogen gruwelijk. Ik zoek altijd ontspanning en kom er later achter dat het geen ontspanning was, het geeft zo'n bittere nasmaak. Satan heeft zoveel listen om ons al sussend en slapend op de brede weg van het verderf te houden. Hij geeft ons zoveel goeds in deze wereld, waardoor wij geheel bezet zijn met al wat van deze tijd is. Zodat we niet in de gaten hebben dat we ons verschuilend achter onze verantwoording voor inkomsten en ontspanning ons en onze gezinnen in het verderf storten. Weer een ander heeft van de godsdienst een hobby gemaakt en onderzoekt alle stromingen door de tijden heen. Een ander weet precies te vertellen wie de aartsvaders waren en hoe God een mens bekeert, maar och, zijn arme ziel is nog steeds niet gered. De tijd snelt door en wij vliegen daarheen, de een geheel onverschillig en de ander verward, weer een ander met diepe overtuigingen en we leven in een wereld buiten God.

 

Welk een angsten kunnen wij doormaken, welk een tegenspoeden in ons persoonlijke leven, slagen die diep in ons vlees of onze geest gegriefd staan. Vele ouders moeten kinderen missen, weer anderen hun geliefde man of vrouw, daar valt een geheel gezin weg, daar wordt een stad verwoest. Hier lijdt er één aan de gevreesde ziekte, daar wordt een baby blind geboren. Hoe zien we om ons heen de waarheid van onze tekstwoorden. De bezoldiging der zonde is de dood. Als we de ziekenhuizen langs gaan en ons oor te luister leggen  bij de verschillende deuren, wat moeten we dan al niet verwerken, kijk eens bij de rouw centra's, loop eens over de kerkhoven, hier een graf van een oude grijsaard en daar van een pasgeboren kindje, daar staat een weduwnaar te wenen en ginds staat een echtpaar bij het grafje van hun kleine lieveling, daar staat een meisje bij het graf van haar vriend, o welk een vreselijke gevolgen door onze zonden. Wij hebben God op het hoogst misdaan, Wij zijn van het heilspoor afgegaan. Wie kan woorden geven aan het leed wat velen met zich meedragen?

 

De bezoldiging der zonde is de dood, bezoldiging is een oud woord wat afgeleid is van de krijgslieden die uitbetaald werden, men noemde dit soldij. Bezoldiging is dus eigenlijk het loon. Nu het loon op de zonde is de dood. We hebben net even stilgestaan bij allerhande leed, en wie zit er op te wachten dat we meer zouden noemen? Toch moeten we nu met Gods Woord zeggen dat dit alles ons verdiende loon is. We hadden het zo goed, we leefden in een volmaakte harmonie met God, maar kozen er voor om te leven naar ons eigen inzicht, we wilden zelf god en meester zijn. En nu, ach we kennen het goed en het kwaad. We weten wat het is om mens te zijn. Natuurlijk is er veel verschil tussen de ene mens en de ander, sommigen leven in voorspoed anderen lijken alle tegenslagen te moeten verwerken. Is het dan zo dat er mensen zijn die dit loon niet ontvangen? Wij zien vaak alleen de buitenkant, het kan er allemaal zo mooi uitzien, maar wie ziet de slapeloze nachten van de rijke man die niet weet hoe hij zijn geld moet beleggen? Wie kent het opgejaagde begerige hart van zijn naaste dat nergens rust vind? Wie ziet de angstige ogen van de stervende rijke die alles achter moet laten en ziet dat het alles niet baat in het uur van de dood? Wie hoort het gekerm van de weelderig levende vrouw in het uur van haar steven zonder God.

Allen zullen we voor God rechterstoel komen en rekenschap moeten afleggen van onze gedachten, woorden en werken. We zullen ons loon in ontvangst moeten nemen of we nu willen of niet, er is geen keuze. Hoe vreselijk zal het zijn te vallen in de handen van de levende God. Hier hebben we gezocht naar ontspanning, vermaak vrienden, goed en geld en daar zal alles in een punt des tijds verandert worden in een afgrijselijke eeuwige kwelling, te moeten leven met een knagende worm die nooit sterft, had ik maar, had ik nog maar even, kon ik het nog maar één keer overdoen. Ik wist het, ik wist het….

 

Nu hebben we gezien in welk een ellendige toestand wij met z'n allen leven en dat omdat wij Gods geboden hebben overtreden. Wie van ons mensen zal kunnen zeggen wie God is, God is groot, heilig, rechtvaardig, alwetend, alziend, voor Hem zijn alle dingen geopenbaard. Niets op de wereld gebeurt er buiten Zijn wil, geen mensengedachte is verborgen voor God Hij weet op het volmaaktst wie wij zijn. Onze lusten, gedachten, werken, woorden, angsten, vijandschap, haat en afkeer is voor Hem niet verborgen. O, hoe kunnen wij nietige zondige mensen ooit bestaan voor zo'n oneindig groot en Heilig God? Hij Schiep alle dingen, Hij sprak en het was er en tot op dit moment bestuurt en onderhoud Hij alle dingen. God is rechtvaardig en Zijn rechtvaardigheid eist volkomen gerechtigheid, dat betekent, God kan niet leven met zonden, Hij kan geen gemeenschap hebben met een zondig onheilig, onrechtvaardig mens. Zijn gerechtigheid eist betaling, de roep tot ons zondige mensen klinkt, betaal Mij wat gij schuldig zijd? Wie van ons kan ooit aan deze eis voldoen? Kunnen wij ons gemaakte schuld nog wegpoetsen voor Zijn heilig alziend oog? Vrienden van onze kant is er geen verwachting en geen enkele hoop. Wij gaan verloren om eigen schuld. Het is ons loon. Niemand van ons zal zich kunnen verdedigen tegenover Gods Heilige wet als we straks zullen staan voor Gods rechterstoel. We moeten wel verstommen en onze straf, de eeuwige hel die ons was aangezegd zullen we ontvangen met de wroeging in ons hart dat we het alles geweten hebben.

 

Is er dan helemaal geen verwachting meer? Is er dan geen mogelijkheid om ondanks ons verdiende loon, weer met God verzoend te worden?

 

Ja waarlijk, wij hebben een God in de hemel die zoveel groter is dan wij hadden kunnen denken. Dezelfde God die hemel en aarde schiep, die ons mensen heeft geschapen en onderhoud, heeft gezorgd voor een middel om van die verdiende straf te worden bevrijd. Wij hebben Hem de rug toegekeerd, maar Hij heeft ons niet losgelaten. Wij hebben gekozen voor onze ondergang en Hij zorgde voor ons behoud.

 

Tegenover ons loon zet God uit enkel genade een gift die wij onwaardige zondaren ontvangen. Het is genade alleen wat ons red van de dood het is de genade gift Gods die ons het eeuwige leven schenkt.

Wij allen hebben vast wel eens een gift ontvangen in de vorm van iets waardevols of een som geld. Wij weten dat we geen recht hebben op een gift en dat de gever van deze gift heeft moeten werken om ons deze gift te geven. Maakt juist dit de onwaardige ontvanger niet klein en dankbaar?

O, hoeveel meer is dit niet zo als het gaat om de genadegift Gods, we kunnen bij God niet spreken over werken en verdiensten en toch, God kan van Zijn recht geen afstand doen, God heeft volkomen gehoorzaamheid geëist en wij hebben dit niet kunnen volbrengen. Hierdoor hebben wij een schuld gemaakt die openstaat.

In het natuurlijke moeten wij aan bepaalde eisen voldoen, zoals op tijd een rekening betalen, doen we dit niet dan hebben wij een schuld, zolang we deze schuld niet betalen hebben wij een schuldeiser, dit geeft onrust, deze schuldeiser zal immers zijn recht opeisen en ik moet betalen.

Nu, zo staat het nu ook met ons mensen tegenover God, wij hebben schuld gemaakt en deze moet betaald worden, wij hebben echter niets om te betalen, alles wat wij doen vergroot de schuld. Maar wonder van Gena, God zelf heeft een middel uitgedacht om ons van onze schuld te verlossen. God de Vader zond Zijn enig geboren Zoon naar deze aarde om te betalen, Hij Jezus Christus kwam heilig, zonder zonde en heeft vrijwillig de schuld en zonde van ons op Zich willen nemen. Hij heeft volkomen betaald dat wat wij schuldig waren. O, zie toch welk een onbeschrijfelijke liefde God de Vader tot ons mensen heeft, dat Hij zijn enige, Zijn lieveling naar deze aarde zond, te midden van moordenaars, overspelers, ruziemakers, hoeren en leugenaars moest Hij Zijn Zoon zenden om juist hen van hun zonden te verlossen. En Jezus kwam gewillig, heeft de spot de smaad en de hoon willen ondergaan om afkerigen tot Hem te trekken. Hij verliet de Heilige Hemel en wandelde onder de mensen, was zelf een mens en toch bleef Hij God, leefde met zondaren en bleef zelf Heilig, werd bespot en spotte niet terug, werd geslagen en sloeg niet terug. Zijn leven was heilig zoals Gods wet dat van ons eiste.

 

Maar God had gesproken ten dage als ge daarvan eet zult gij de dood sterven, we hebben gegeten dus moest de dood volgen en zo ook Christus, Hij leefde niet alleen Heilig maar moest ook de smartelijke vervloekte kruisdood sterven om zo geheel te voldoen aan Gods Heilige eis.

Wie zal kunnen verwoorden wat hier gebeurt is?

Wij kunnen in het natuurlijke een schuldeiser hebben die de schuld komt opeisen terwijl  we niets hebben om te betalen, als er dan iemand komt en zegt ik zal voor u betalen, naar de schuldeiser stapt en de schuld betaald, dan zijn wij vrij van schuld. De onrust is weg en o, hoe dankbaar  zijn we dan deze betaler, deze borg of middelaar zoals we dat noemen.

Nu, zo zien we hier een aards beeld van het zoveel schonere hemelse beeld dat Christus Jezus in de wereld gekomen is om zondaren vrij te kopen van schuld en straf. Hij kwam rechtvaardig, heilig, zonder zonde om de zondaren in alles gelijk te worden behalve hun zonden, hij weet wat het is beangst, verdrietig, vermoeid, bestreden gekweld, gehaat, bespot en veracht te worden. Hij weet wat het is om mens te zijn. Hij wordt wel genoemd onze medelijdende Hogepriester, die nu zit aan Gods rechterhand vanwaar Hij ons ziet en medelijden met ons heeft. Maar wat meer is, Hij bid voor ons.

Deze Jezus is de inhoud van de genade gift Gods die gesteld is tegenover ons verdiende loon.

Door deze Jezus ontvangen zondaren het eeuwige leven. Zijn offer is de voldoening die God de Vader eiste, en door de betaling met Jezus bloed is de toorn gestild, en is de Vader verzoend met Zijn kinderen. Niets is er meer wat er in de weg staat, we lezen in Gods Woord dat de Vader zegt, Ik zie geen zonde in Mijn Jacob en geen overtreding in Mijn Israël. Welk een onuitsprekelijk wonder, wij kozen voor de duivel en keerde God daarmee de rug toe. Maar God had gedachten des vredes en zorgde ervoor dat wij, koste wat het kost weer met Hem verzoend zouden worden. Zijn lieve Zoon, moest dienen als betaalmiddel, en Jezus Christus stelde Zich vrijwillig als offer voor onze zonden. Weergaloze liefde van een ontfermend en genadige God. Wie kan dit bevatten?

De dood verdiend, het leven ontvangen uit enkel genade. We zullen straks zien wat dit leven inhoud, maar eerst moeten wij stilstaan bij de algenoegzaamheid van het offer van Christus.

 

Het wonder is niet klein te krijgen, maar is dit wonder nu voor ons persoonlijk ook een wonder geworden? Is het bloed van Christus ons leven geworden. Mogen wij zeggen dat Hij in onze plaats heeft geleden. Dat Hij Jezus, Gods Zoon de zware straf op Zich nam om ons van de straf te verlossen? Is Hij Jezus, de Zaligmaker van de wereld, ook onze Zaligmaker? Is al wat aan Hem is voor ons begeerlijk en kan niets van de wereld ons meer bekoren dan de zoetheid in de stille overdenking aan de Naam Jezus?

 

Geliefde vrienden, wie is Jezus voor ons? Dit is de enige vraag die we ons moeten afvragen op weg en reis naar de eeuwigheid. Niet onze bevindingen, onze geleerdheid onze tranen, gebeden, zuchten, offers en gestalten kunnen onze schuld wegwassen. Allen het dierbare bloed van Jezus wast en reinigt ons van alle zonden. Zonder bloedstorting is er geen vergeving, dit was zo in het Oude Testament en dat is tot de laatste dag zo.

Kunnen wij zeggen dat de wereld met al haar begeerlijkheid haar glans heeft verloren omdat Jezus ons hart heeft ingenomen? Als Gods liefde in ons hart wordt uitgestort dan vergaat de liefde tot de zonde en wordt er een haat geboren tegen alles wat indruist tegen Gods Heilige Wet. Het zijn immers juist de zonden waarvoor Jezus zo smartelijk moest lijden. O, één blik op Zijn liefdevolle ogen, in Zijn bebloede gezicht en de doornenkroon die zijn vlees doorwond en ik gevoel de gruwelijkheid van mijn kwaad. Deze Jezus gaf zich vrijwillig om u en mij te verlossen van deze zonden. Er is geen zonde te groot of Zijn bloed wast ze geheel weg. Geen zondaar te vuil voor de fontein die geopend is in Jezus wonden. Niemand van ons mag zeggen dat er geen middel is om ons te verlossen van onze zonden, schuld en eeuwige dood. Jezus is Zijn Naam. Hij is de genadegift Gods, geschonken om niet en wordt ontvangen zoals een bedelaar zijn aalmoes ontvangt.

Zal een bedelaar aan het einde van de dag zeggen ziende op dat wat hij ontving, hier heb ik hard voor gewerkt, ach hij weet wel beter, hij heeft geen handen en geen voeten en kan niet werken, het is alles gekregen.

Niemand van ons zal enige verontschuldiging kunnen inbrengen wanneer wij straks staan voor Gods rechterstoel, buiten de persoonlijke kennis aan Christus. Hij is ons allen aangeboden, God de Vader schonk ons deze genadegift, God de Zoon gaf Zijn leven, de Heilige Geest heeft ons willen overtuigen, maar ach als wij dit alles in de wind hebben geslagen zullen we straks horen. Ik heb u nooit gekend; gaat weg van Mij, gij die de ongerechtigheid werkt. Geen woord zullen we dan kunnen inbrengen maar we zullen moeten bekennen dat het werkelijk zo is geweest, hoe liefelijk kwam Hij niet tot ons door de prediking van het Woord, hoe is hij ons niet voorgesteld als de Schoonste aller mensenkinderen in de geschriften die u las. Maar wat hebt u er mee gedaan? Velen van ons menen iets te moeten doen om behouden te worden, de één meent dit te vinden door veel schriftonderzoek, de ander door het doen van gebeden, weer een ander geeft heimelijk God de schuld van zijn ellendige doodstaat.

Het enige wat ons weerhoud is echter onze eigen hoogmoed, onze vijandigheid van het zalig worden om niet. Gods eis is voldaan, de schuld is betaald, niets van ons mensen kan daar bij gevoegd worden. Het is alleen genade wat red van de dood. Het eenvoudig omhelzen van de gerechtigheid van Christus is onze zaligheid. Het leven in eigen kracht wordt onze dood. Het leven uit genade is ons leven en onze zalige toekomst.

 

Ongetwijfeld zijn er ook die dit alles met een onverschillig hart lezen, zij worden niet geraakt door het lezen of het horen van de blijde boodschap, hun hart springt niet op bij het horen van de Naam Jezus. Vrienden, uw lot is verschrikkelijk, uw doodvonnis is getekend. Kunt u zo de eeuwigheid tegemoet reizen? Hoe zult u straks verschijnen voor Gods rechterstoel. Vandaag wordt u nog toegeroepen, Laat u met God verzoenen. Ga toch niet door in de ingeslagen weg. Zie toch in, in welke rampzalige toestand u verkeert. Vergoelijk uw zonden niet, ze zijn vreselijk in Gods ogen. Al zou u geen één zonde gedaan hebben, dan alleen Zijn bloed onrein achten, u zou voor eeuwig verloren gaan. Denk niet gering over uw dood, over de eeuwigheid, over de hel waar u, wie weet hoe spoedig zult zijn indien u niet geborgen zult zijn in Christus borgwerk. We roepen u toe, o zondaar zie op uw wonden gevoel het gif in uw aderen en zie op Jezus die verhoogt moest worden gelijk Mozes de slang in de woestijn verhoogd heeft. Opdat een iegelijk die op Hem zag zou leven. (Joh 3) elke Israëliet die maar één blik op de slang wierp was terstond genezen. Maar een ieder die om welke reden dan ook niet zag moest sterven aan het gif van de slang. Gevoelt u het gif niet? ik zeg u, u bent gebeten en u zult zeker sterven, zie toch op Jezus en u zult eeuwig leven.

Misschien zegt er één. Maar hoe wordt ik dan zalig, ik zoek de Heere al zolang, ik roep Hem aan, ik blijf op Hem wachten. Maar het lijkt alles tevergeefs, mijn indrukken zakken steeds weer weg, de wereld krijgt zo vaak weer grip op mij, en dan lijkt het wel of er nooit iets van waar is geweest. Soms denk ik dat God begonnen is en weer een andere keer vraag ik me af of het wel ooit goed zal komen.  Dan ga ik naar de kerk en dan krijg ik weer hoop, ik lees wat en het maakt mij goedsmoeds, ik probeer beter mijn best te doen om het vast te houden, roep de Heere ernstiger aan, maar ach ook dit wordt steeds weer minder. Lieve vrienden, u zoekt het leven in eigen krachten, u meent God te zoeken maar u hebt niet in de gaten dat u zo voortgaande voor eeuwig verloren gaat.

Jezus heeft de prijs betaald, hij heeft alles voldaan Hij roept u tot Zich, Komt allen tot Mij die vermoeit en belast zijt en Ik zal u rust geven, (Matth 11:28). Hoor hoe God de Vader u nodigt.

O alle gij dorstigen, komt tot de wateren, en gij die geen geld hebt, komt, koopt en eet, ja, komt, koopt zonder geld en zonder prijs, wijn en melk,(Jes. 55:1). Gods knechten zijn gezonden om u toe te roepen. wij bidden van Christuswege: Laat u met God verzoenen, (2 Kor. 5:20). U mag stoppen met werken, u mag stoppen met hopen op verbetering in uw toestand, u mag toegeven dat u zondaar bent en dat al uw verbeteren de wond groter maakt. U mag uw vermoeide ziel over geven in Gods handen. U mag zeggen Heere Jezus, hier ben ik, Ik ben het niet waard dat U mij zaligt, maar zonder U kan ik niet leven. Lieve vrienden. God heeft de genadegift en u mag deze gelovig aannemen. Gelovig in ontvangst nemen. En een iegelijk die in Hem gelooft zal niet verloren gaan maar eeuwig leven, (Joh 3:15). Het geloof is het instrument waarmee wij de genadegift ontvangen, zoals iemand een gift in zijn hand ontvangt en niet kan roemen op zijn hand, zo kunnen wij niet roemen op ons geloof. Het is slechts het middel door God gesteld om ons de verworven zaligheid toe te passen. Maar buiten het geloof is er geen hoop en geen verwachting. Het geloof wordt in ons gewerkt door Gods geest.

Geloof is enkel vertrouwen dat mijn zonden vergeven zijn door het dierbare bloed van Christus. Geloof is niet anders dan een streep zetten door alles wat van ons is en leunen op Christus verdiensten. Geloof is niet anders dan ruilen. Zijn gerechtigheid wordt de mijne. Hij neemt mijn zonden en ik Zijn gerechtigheid, Hij neemt mijn dood op Zich en ik ontvang Zijn leven.  Zo is er dan nu geen verdoemenis voor degenen die in Christus Jezus zijn, die niet naar het vlees wandelen, maar naar den Geest,(Rom 8:1). Zo dan, indien iemand in Christus is, die is een nieuw schepsel; het oude is voorbijgegaan, zie, het is alles nieuw geworden, (2 Kor. 5:17).

Wankelende vrienden wees niet mismoedig, wanhoop aan alle eigen krachten en geef je leven uit handen, zoals Christus eens uitriep, Vader in Uwe handen beveel Ik Mijn geest, zo mogen ook wij ons geheel overgeven, om in Hem ons leven te ontvangen.

 

En u, die mag zeggen, Ja alles wat aan Hem is, is gans begeerlijk, zulk één is Mijn Liefste.

U die weet wat het is om een streep door uw eigen kunnen en bevinding te zetten en zodoende met uzelf bent vastgelopen. Ja wat meer is u, die uw leven niet meer in eigen hand kon vinden en in een stil vertrouwen uw leven ontving in Christus door Hem gelovig te omhelzen. U mag in verwondering uitroepen, waarom o Heere heeft U naar mij willen omzien, waarom trok U mij tot U. Jezus is uw leven geworden, Zijn Woord is uw kompas, Zijn Hemel is Uw hemel, Zijn Vader is uw vader, de Heilige Geest is het die u troost en altijd weer opricht als uw knieën slap zijn, als u valt voor de verleidingen van de wereld. Hij is het die altijd weer zuurstof blaast in het vuurtje wat brand in uw hart maar wat zo menigmaal lijkt uit te doven door de zorgen van deze tijd, door de vijandschap die u ervaart of door uw losbandige leven. Ach welk een troost kunt u putten uit de wetenschap dat een verkiezend God die u verkoos , u tot Zich trok en u zaligde, u nooit meer zal laten vallen, in welke zonde u ook zult vallen. Hoe smartelijk moet u steeds weer inleven dat uw hart nog zo zondig is, u meende dat het alles beter zou worden, maar ach hoe krachteloos kunt u zich voelen als de zonde u overvalt, of als de verlokkingen u meetrekken. Zie omhoog, Zie op Jezus, Zie het Lam Gods dat de zonde der wereld wegneemt, (Joh:29). Paulus zegt en wij met hem, Ik ben met Christus gekruist; en ik leef, doch niet meer ik, maar Christus leeft in mij; en hetgeen ik nu in het vlees leef, dat leef ik door het geloof des Zoons Gods, Die mij liefgehad heeft en Zichzelven voor mij overgegeven heeft,(Gal. 2:20).

Welk een troost mogen wij putten uit de wetenschap dat, Jezus onze verlosser ook onze gerechtigheid is, dat wij in Hem voor God rechtvaardig zijn, dat Hij onze heiligmaking is, zodat wij in Gods ogen heilig, zijn omdat de Vader, Christus in ons ziet. Dit alleen geeft ons kracht en moed om te strijden tegen de inwonende verdorvenheid, tegen de wereld en tegen satans pijlen. Ziende op den oversten Leidsman en Voleinder des geloofs, Jezus, Dewelke voor de vreugde die Hem voorgesteld was, het kruis heeft verdragen en schande veracht, en is gezeten aan de rechter hand van den troon Gods,(Hebr. 12:2). Jezus heeft zich verheugd ziende op wat Zijn offer voor ons zou uitwerken, o laten wij ons dan verblijden en roemen in onze God, getuigend van de hoop die in ons is, lankmoedig verdragende de smaad die op ons komt vanwege Zijn Naam. Hij leeft en draagt zorg voor al zijn kinderen.

 

Hoe groot is de gift die wij ontvangen, zij verlost ons van schuld en zonden, maar zoals we lezen in onze tekst geeft zij ons ook het eeuwige leven. Hoe zoet kan het hier vaak zijn in het hart als we in onze gedachten verkeren aan Jezus voeten, menigmaal ervaren we de hemel in ons hart en zijn we ons even niet bewust van de wereld waarin we ons nog bevinden. En toch er is een heerlijker vooruitzicht, De Heere vergunt het ons niet dat we hier op aarde kunnen leven met de Hemel in ons hart, nee Hij laat ons steeds weer onze smartelijke zonden inleven, en doet ons zuchten onder bestrijdingen en aanvechtingen opdat wij zouden verlangen met Paulus om ontbonden en met Christus te zijn. Hij doet ons zuchten naar de heerlijke eeuwige erfenis die Hij voor ons heeft weggelegd.

Straks, wie weet hoe spoedig zullen we al dit aardse achter mogen laten om het te verwisselen voor de eeuwige heerlijkheid. Daar zal geen traan meer zijn, geen aanvechting ons bestrijden, geen ongeloof ons kwellen. Geen scheidingen tussen geliefden, geen smartelijke geschillen of twisten tussen dierbare. Nee daar zal God zijn alles en in allen. Daar zullen we mogen doen waar we hier zo naar verlangen, dat is God groot maken. O, hoe kan hier ons hart smelten bij het zien op Zijn doorboorde handen, in zijn wonden wordt onze hemel geopend, wat zal het dan zijn om straks te mogen zijn daar waar Hij is. O Jezus, ons hart brand in ons, hoelang nog?

Geen zonde zal ons daar de zoetheid doen vergaan, geen angst zal ons de mond meer snoeren, o wat zullen we juichen, zingen en verblijd zijn als we Hem zien in al Zijn heerlijkheid, Hij die ons heeft liefgehad, Hij die ons trok, ons kocht en voor ons de plaats in Zijn Koninkrijk heeft bereid.

Vrienden u die leeft in de kracht van Zijn bloed, in de kracht van Zijn opstanding u mag uitzien naar uw woning die Hij voor u bereid heeft,(Joh 14). Kom verblijd u met de blijden we zullen straks eendrachtiglijk Hem loven zonder moe te worden.

Op de nieuwe Hemel en de nieuwe aarde zal gerechtigheid zijn,(2 Petr. 3:13). Gods Glorie zal daar eindeloos schitteren, daar zal ons oog niet verzadigd worden met de heerlijkheid die we zullen aanschouwen. Samen met de engelen en al de Bijbelheiligen verenigd om nooit meer te scheiden. Het was de wens van Gods Zoon dat wij bij Hem en Zijn Vader zouden zijn, hier heeft Hij om gebeden in het vooruitzicht op Zijn vreselijke lijden (Joh 17). Daar zal alles in vervulling gaan. Hemel en Aarde zullen juichen tot Gods eer. Och is ons hart niet brandende in ons als we zo overdenken wat dat zal zijn? Laat deze zoete overdenking veel in ons hart zijn, het zal ons sterven aan de wereld bespoedigen en ons uitzien naar Zijn komst vergroten, Kom Heere Jezus, Ja Kom haastiglijk, ons hart brand van verlangen, kom dan ja kom.

 

We gaan dit schrijven besluiten in de bede dat God wil verzoenen dat wat niet naar Zijn Woord is en in de verzuchting en de stille hoop dat Hij dit wil zegenen aan de harte van velen

Geve de Heere een rijke zegen, tot eer Zijns Naams. God zij gelooft, Amen.

 

Psalm 43 vers 4
Dan ga ik op tot Gods altaren,
Tot God, mijn God, de bron van vreugd;
Dan zal ik, juichend, stem en snaren
Ten roem van Zijne goedheid paren,
Die, na kortstondig ongeneugt,
Mij eindeloos verheugt.