M03 een brief aan de gemeente

22-01-2016 09:25

‘Zalig is hij, die leest, en zijn zij, die horen de woorden dezer profetie, en die bewaren, hetgeen in dezelve geschreven is; want de tijd is nabij, Openb. 1:3.’

 

De Heere Jezus Christus, de Zoon van God, is gekomen naar deze aarde, heeft hier geleefd, gepredikt, wonderen gedaan, is overgeleverd om onze zonden en gestorven om voor de zondeschuld te betalen. Hij is opgestaan en opgevaren naar de hemel, waar Hij zit aan de rechterhand Gods, waar Hij bidt voor de Zijnen en vanwaar Hij ons Zijn Openbaring zond. Deze Openbaring kwam in de eerste plaats tot Johannes die gevangen was op het eiland Patmos. Johannes geloofde in de Heere Jezus Christus, hij sprak daarvan en leefde volgens het Woord van God en als gevolg daarvan zat hij verbannen op een eiland. In de eenzaamheid, verlaten van mensen, vervolgd om de Naam van Zijn Heiland, heeft hij daar een ontmoeting met de levende God. Johannes, heeft in opdracht van God Zelf, de Openbaring opgeschreven en deze gedeeld met de zeven gemeente van Azië. De Openbaring van de Heere Jezus Christus, moest verspreid worden, opdat wat Hij openbaarde over het einde der tijden, bekent zou worden over heel de wereld. Een Openbaring is een onthulling van iets dat verborgen was. Nu is het geopenbaard, ons gegeven en vergezeld van bijzondere woorden. Zalig is hij die leest, zijn zij die horen en die het bewaren; want de tijd is nabij. Het boek Openbaring is geen gemakkelijk boek, toch wordt de gemeente opgeroepen om de woorden te lezen, ze te horen en ze te bewaren. Lezen, overdenken, toepassen en er samen op toezien dat het Woord van God serieus genomen wordt is vandaag nog net zo noodzakelijk als tweeduizend jaar geleden. Tweeduizend jaar geleden was de tijd nabij, vandaag leven wij middenin dat wat geopenbaard is. Het is belangrijk om in afhankelijkheid van de Heere God, geleid door Zijn Geest, te zoeken naar dat wat de Heere Jezus Christus ons geopenbaard heeft, want de tijd is nabij. De profetie in Openbaring staat niet op zichzelf maar is in lijn met Mozes en de profeten. Zij hebben geprofeteerd over de komst van de Messias als de Koning der koningen en van het herstel, ja de wederoprichting van alle dingen. De Heere Jezus Christus, heeft Zijn hemelse heerlijkheid verlaten en is als mens gekomen op deze aarde, Hij heeft Zijn leven afgelegd opdat wij het leven zouden vinden. Hij is opgevaren en staat gereed om te komen in macht en majesteit, zoals we ook zullen zien in de woorden die straks volgen. ‘Welken de hemel moet ontvangen tot de tijden der wederoprichting aller dingen, die God gesproken heeft door den mond van al Zijn heilige profeten van alle eeuw, Hand. 3:21.’

 

Na de oproep om het boek Openbaring te lezen, te overdenken en er de lessen uit te trekken, volgt de zegengroet gericht aan allen die geloven. ‘Genade zij u en vrede van Hem Die is, en Die was, en Die komen zal; en van de zeven Geesten Die voor Zijn troon zijn; En van Jezus Christus, Die de getrouwe Getuige is, de Eerstgeborene uit de doden, en de Overste van de koningen der aarde. Hem Die ons heeft liefgehad en ons van onze zonden gewassen heeft in Zijn bloed, En Die ons gemaakt heeft tot koningen en priesters Gode en Zijn Vader; Hem, zeg ik, zij de heerlijkheid en de kracht in alle eeuwigheid. Amen, Openb. 1:4-6.’ Nietige mensen, verloren maar gevonden, van dienstknechten van de duisternis gemaakt tot koningen en priesters van God de Allerhoogste, ontvangen hier de zegen van God de Vader, van de Heilige Geest en van Jezus Christus. De genade en vrede van Hem Die sprak tot Mozes: ‘IK ZAL ZIJN, Die IK ZIJN ZAL! (Ex. 3:14)’. Genade en vrede zij over ons van de zeven Geesten, de zeven Geesten die Jesaja profeterend zag op het Rijsje dat zou voortkomen uit de afgehouwen tronk van Isaï. ‘En op Hem zal de Geest des HEEREN rusten, de Geest der wijsheid en des verstands, de Geest des raads en der sterkte, de Geest der kennis en der vreze des HEEREN, Jes. 11:2.’ De genade en de vrede van de Heere Jezus Christus, De getrouwe Getuige, de Eerstegeborene uit de doden en de Overste van al de koningen op deze aarde zij over ons. Hij Die ons heeft liefgehad en ons van onze zonden heeft gewassen in Zijn bloed, Hij is het Die ons verheven heeft tot koningen en priesters, o wat een heerlijkheid in deze God. Zouden wij niet vol verlangen moeten bezig zijn met Zijn profetie en ons moeten uitstrekken naar de vervulling van Zijn Woord en de ingang in Zijn heerlijkheid?

 

‘Zie, Hij komt met de wolken, en alle oog zal Hem zien, ook degenen die Hem doorstoken hebben; en alle geslachten der aarde zullen over Hem rouw bedrijven; ja, amen, Openb. 1:7.’

De profetie van Jezus Christus, ja alle beloften die nog nooit zijn vervuld zullen allen in vervulling gaan. ‘Daarna zullen zich de kinderen Israels bekeren, en zoeken den HEERE, hun God, en David, hun Koning; en zij zullen vrezende komen tot den HEERE en tot Zijn goedheid, in het laatste der dagen, Hos. 3:5.’ Tweeduizend jaar geleden zagen drieduizend zielen Jezus Christus voor ogen geschilderd; ‘En als zij dit hoorden, werden zij verslagen in het hart, en zeiden tot Petrus en de andere apostelen: Wat zullen wij doen mannen broeders? Hand. 2:37.’ Zij kwamen tot bekering en geloof. Zij werden wederomgeboren en ontvingen het nieuwe leven als de eerstelingen van de volle oogst. Als deze bekering op de Pinksterdag al zo groot, zo zegenrijk en Gode verheerlijkend is geweest, wat zal dan de bekering van heel Israël groot en heerlijk zijn. Ja, zij zullen Hem, Die zij doorstoken hebben, zien en bitterlijk kermen. ‘Doch over het huis Davids, en over de inwoners van Jeruzalem, zal Ik uitstorten den Geest der genade en der gebeden; en zij zullen Mij aanschouwen, Dien zij doorstoken hebben, en zij zullen over Hem rouwklagen, als met de rouwklage over een enigen zoon; en zij zullen over Hem bitterlijk kermen, gelijk men bitterlijk kermt over een eerstgeborene, Zach. 12;10.’ De oordelen zullen verschrikkelijk zijn maar dwars door het vuur zal de Naam van onze God verheerlijkt worden en zal Zijn volk dat van Hem is afgekeerd, weer Zijn volk zijn. ‘En Ik zal dat derde deel in het vuur brengen, en Ik zal het louteren, gelijk men zilver loutert, en Ik zal het beproeven, gelijk men goud beproeft; het zal Mijn Naam aanroepen, en Ik zal het verhoren; Ik zal zeggen: Het is Mijn volk; en het zal zeggen: De HEERE is mijn God, Zach. 13:9.’

 

Johannes kreeg geopenbaard hoe het zou zijn op de dag des Heeren, het is die dag waarvan Petrus op de Pinksterdag sprak: ‘De zon zal veranderd worden in duisternis, en de maan in bloed, eer dat de grote en doorluchtige dag des Heeren komt, Hand. 2:20.’ In deze benauwdheid zullen zij roepen tot de Heere en Hij zal hen verhoren, we lezen op verschillende plaatsen in de Bijbel: ‘En het zal zijn, dat een iegelijk, die den Naam des Heeren zal aanroepen, zalig zal worden.’ (Joël, 2:32, Hand. 2:21, Rom. 10:13)

Johannes hoorde een grote stem, als van een bazuin, zeggende: ‘Ik ben de Alfa en de Omega, de Eerste en de Laatste en hetgeen gij ziet, schrijf dat in een boek, en zend het aan de zeven gemeenten die in Azië zijn...’ Als Johannes dit hoort kijkt hij om, om te zien naar de stem die tot hem spreekt en dan ziet hij zeven gouden kandelaren; ‘En in het midden van de zeven kandelaren Een, den Zoon des mensen gelijk zijnde, bekleed met een lang kleed tot de voeten, en omgord aan de borsten met een gouden gordel; En Zijn hoofd en haar was wit gelijk als witte wol, gelijk sneeuw; en Zijn ogen gelijk een vlam vuurs; En Zijn voeten waren blinkend koper gelijk, en gloeiden als in een oven; en Zijn stem als een stem van vele wateren. En Hij had zeven sterren in Zijn rechterhand; en uit Zijn mond ging een tweesnijdend scherp zwaard; en Zijn aangezicht was gelijk de zon schijnt in haar kracht, Openb. 1:12-16.’

 

Lieve vrienden, broeders en zusters, wat een ontzagwekkend beeld zien wij hier van de Heere Jezus. Wie is toch Deze? Het is Die God, Die van eeuwigheid tot eeuwigheid Dezelfde is. Het is Die Persoon Die Zichzelf heeft overgegeven tot in de dood, opdat wij zouden leven, het is Hij Die de macht heeft over dood en leven, Hij Die in heerlijkheid gezeten is in de hemel. Ja Hij heeft de kop van satan vermorzeld en Hij komt, Hij komt, dan zal de satan gebonden worden om uiteindelijk in de poel van vuur en sulfer te worden geworpen. O hoe verschrikkelijk zal die dag zijn voor allen die niet voor Hem willen buigen. Jesaja zag Hem en hoorde hoe Hij sprak: ‘Ik heb de volken vertreden in Mijn toorn, en Ik heb hen dronken gemaakt in Mijn grimmigheid; en Ik heb hun kracht ter aarde doen nederdalen, Jes. 63:5.’ Wee hen die tegen Hem opstaan en niet willen buigen onder Zijn Woord. ‘Die met den HEERE twisten, zullen verpletterd worden; Hij zal in den hemel over hen donderen; de HEERE zal de einden der aarde richten, en zal Zijn Koning sterkte geven, en den hoorn Zijns Gezalfden verhogen, 1 Sam. 2;10.’ Wat een zegen dat de oproep tot bekering ook in deze laatste dagen nog klinkt. Zalig hij die Leest, hoort en bewaart: ‘Want ziet, die dag komt, brandende als een oven, dan zullen alle hoogmoedigen, en al wie goddeloosheid doet, een stoppel zijn, en de toekomstige dag zal ze in vlam zetten, zegt de HEERE der heirscharen, Die hun noch wortel, noch tak laten zal, Mal. 4:1.’ Wat een verschrikking zal het zijn om dan oog in oog te staan met de Koning der koningen. ‘Want onze God is een verterend vuur, Hebr. 12:29.’ Hoe zalig daarentegen het volk dat naar Zijn klanken hoort. ‘Ulieden daarentegen, die Mijn Naam vreest, zal de Zon der gerechtigheid opgaan, en er zal genezing zijn onder Zijn vleugelen; en gij zult uitgaan, en toenemen, als mestkalveren, mal. 4:2.’

 

Johannes valt als dood neer aan de voeten van Hem Die leeft in alle eeuwigheid. Hij ziet als het ware in dit beeld de heiligheid van de God des hemels en wie kan dan staande blijven? Zeven gouden kandelaren met daartussen Hem Die alle macht heeft in hemel en op aarde, bekleed met een lang wit kleed en omgord met een gouden gordel, haren wit als sneeuw en ogen gelijk een vlam vuur. Vrienden, kunnen wij na het zien van dit beeld ooit nog lichtvaardig spreken over de Zaligmaker van deze wereld? Wie durft te spotten met Jezus? Wie durft Hem gelijk te stellen aan een zondig mens? Johannes zag Zijn voeten als van blinkend koper en gloeiend als in een oven. Het zijn die voeten, die zullen vertreden en verschroeien allen die tegen Hem opstaan. Welke vijand zal standhouden tegen deze Koning der koningen? Zijn stem was ook volgens Ezechiël (Ez. 43:2) als het geruis van vele wateren en Daniél sprak van Hem: ‘En Zijn lichaam was gelijk een turkoois, en Zijn aangezicht gelijk de gedaante des bliksems, en Zijn ogen gelijk vurige fakkelen, en Zijn armen en Zijn voeten gelijk de verf van gepolijst koper; en de stem Zijner woorden was gelijk de stem ener menigte, Dan. 10:6.’ Wie zal deze stem durven tegenspreken? Terwijl Hij zeven sterren in Zijn rechterhand houdt, zien we een tweesnijdend scherp zwaard uit Zijn mond gaan. Het is dat alles doordringende Woord van God. Dat Woord dat alles bloot legt en openbaard dat wat verborgen is. ‘Want het Woord Gods is levend en krachtig, en scherpsnijdender dan enig tweesnijdend zwaard, en gaat door tot de verdeling der ziel, en des geestes, en der samenvoegselen, en des mergs, en is een oordeler der gedachten en der overleggingen des harten, Hebr. 4:12.’ Als dat Woord haar werk doet en we staan als het ware oog in oog met Hem Wiens aangezicht schijnt als de zon, dan is het buigen of sterven, leven uit de verzoening of verloren gaan om eigen schuld.

 

Terwijl Johannes daar als het ware dood aan Zijn voeten valt, legt de Eeuwige Zijn rechterhand op hem en zegt: ‘Vrees niet, Ik ben de eerste en de laatste, En Die leef, en Ik ben Dood geweest; en zie, Ik ben levend in alle eeuwigheid. Amen. Ik heb de sleutels der hel en des doods, Openb. 1;18.’ Lieve vrienden, broeders en zusters, wat een wonder van genade. Is het zo ook niet in het zalig worden? Als wij bedenken wie wij nietige mensen zijn. Hoe wij zo vaak gekozen hebben tegen God en voor onszelf. Hoe wij in ongeloof en liefde tot onszelf in zonden hebben geleefd door niet te willen buigen voor God de Vader en Zijn Zoon Jezus Christus en Dien gekruisigd. Ja alle mensen zijn als de verloren zoon, afgekeerd van God de vader om te leven volgens eigen inzicht en verlangen. Maar, o wonder van genade als onze ogen zijn geopend voor de liefde van God, Die niet wil dat mensen verloren gaan maar dat zij allen tot bekering komen. Kom vrienden, leeft u nog buiten Jezus en gescheiden van uw Vader? Nog is het tijd! Nog klinkt de oproep, zie het Lam Gods dat de zonde der wereld wegneemt. God de Vader gaf Zijn Zoon, opdat verloren zonen en dochteren weer met Hem in gemeenschap zouden leven. Kom, sta op en keer terug tot uw Vader. Nu is het nog de tijd, weet dat de tijd zeer kort is. Lieve broeders en zusters, terugkijkend weten wij hoe het de trekkende liefde van Vader is geweest waardoor wij zijn opgestaan en als het ware met Johannes dood aan de voeten van God zijn gevallen. Wonder van genade, Hij spreekt; Vrees niet! Hij leeft, Hij heeft de sleutels van de hel en de dood. Hij heeft de hel en de dood overwonnen, Hij leeft in eeuwigheid en allen die Hem liefhebben en in Zijn geboden wandelen zullen eeuwig leven.

 

Johannes kreeg de volgende opdracht: ‘Schrijf hetgeen gij gezien hebt, en hetgeen is, en hetgeen geschieden zal na dezen, Openb. 1:19.’ We zullen, zo de Heere het geeft, in volgende overdenkingen stilstaan bij de brieven aan de zeven gemeenten. We zagen zeven sterren in de rechterhand van de verhoogde Middelaar, terwijl Hij daar stond te midden van de zeven kandelaren. De verklaring van dat gezicht geeft Hij Zelf: ‘De verborgenheid der zeven sterren, die gij gezien hebt in Mijn rechterhand, en de zeven gouden kandelaren. De zeven sterren zijn de engelen der zeven gemeenten; en de zeven kandelaren die gij gezien hebt, zijn de zeven gemeenten, Openb. 1:20.’ De sterren zijn het beeld van de engelen of de oudsten van de gemeenten. Zoals sterren aan de hemel de weg kunnen wijzen, zo behoren de oudsten de gemeenten voor te gaan in leer en leven. Aan hen zijn de brieven gericht en zij mogen dit delen met hun gemeenten, die als kandelaren het licht van Gods genade mogen verspreiden in deze duistere wereld. Geve God zulke oudsten en zulke gemeenten ook in deze laatste dagen. ‘Zalig is hij, die leest, en zijn zij, die horen de woorden dezer profetie, en die bewaren, hetgeen in dezelve geschreven is; want de tijd is nabij, Openb. 1:3.’ Amen.              

 

Psalm 68 vers 16 en 17

 

Gij koninkrijken, zingt Gods lof;

Heft psalmen op naar 't hemelhof,

Van ouds Zijn troon en woning;

Waar Hij, bekleed met eer en macht,

Zijn sterke stem verheft met kracht,

En heerst als Sions Koning.

Geeft sterkt' aan onzen God en HEER;

Hij heeft in Israël Zijn eer

En hoogheid willen tonen.

Erkent dien God; Hij is geducht;

En doet Zijn sterkte boven lucht

En boven wolken wonen.

 

Hoe groot, hoe vrees'lijk zijt G' alom,

Uit Uw verheven heiligdom,

Aanbidd'lijk Opperwezen!

't Is Isrels God, die krachten geeft,

Van Wien het volk zijn sterkte heeft.

Looft God; elk moet Hem vrezen.

 

Wilco Vos Veenendaal 20-01-2016