M12 Biddend wachten of gelovig omhelzen? Efeze 2:8-9

21-03-2012 15:05

Enige jaren geleden was er een straatprediker die aan het einde van zijn toespraak een foldertje uitdeelde. Aan twee mannen die wat achteraf hadden gestaan, werd ook een folder aangeboden, maar zij weigerde dit met de mededeling dat de prediker een dwaalleraar was. Hij vroeg hun of zij dit konden onderbouwen, omdat hij het erg zou vinden als dit echt zo was. Ze gaven als antwoord, dat hij het veel te licht had voorgesteld, je kun je eigen niet zomaar bekeren en ook niet zomaar geloven, dat moet God bewerken en daar werd niet over gesproken. De prediker beriep zich op de toespraken van Paulus en Petrus en vroeg aan de heren. "als ik nu als de stokbewaarder voor jullie sta en vraag: wat moet ik doen om behouden te worden. Wat is dan jullie antwoord?" De mannen zwegen in alle talen. Ook na aandringen van de prediker. Toen gaf hij hun als antwoord. 'geloof in de Heere Jezus en gij zult zalig worden, gij en uw huis, Hand. 16:31.' Daarop antwoordde er één "maar het geloof is een gave Gods" daarop kwam er een oude man naar voren die zijn vuist onder de neus van zijn dorpsgenoot stak en zei "man, je ligt in de dood, maar je doet er ook niets aan om eruit te komen."

 

Een andere straatprediker werd tijdens zijn toespraak onderbroken door een dikke man met de opmerking "Het geloof is een gave Gods." De straatprediker reageerde dat de man even moest wachten terwijl hij in zijn Bijbel bladerde. Hij las met luide stem. 'Ja ook, dat ieder mens ete en drinke, en het goede geniete van al zijn arbeid. Dit is een gave Gods, Pred. 3:13.' Daarop keek hij de man aan en sprak: "en meneer, u heeft van dat eten en drinken een goed gebruik gemaakt, zie ik."

 

Wij mensen liggen dood in zonden en misdaden en het ergste is dat verreweg de meesten niet verlangen om daaruit verlost te worden. Het gaat allemaal zo zijn gangetje, we hebben geld en goed, en als we dan ook nog gezond zijn, wat willen wij dan nog meer? Vaak als we een gesprek aanknopen waarin de ernst en de noodzakelijkheid van het nieuwe leven naar voren komt, dan halen de mensen hun schouders op. "Ach het zal zo'n vaart niet lopen", zo redeneren zij.  Eigenlijk verklaren ze je voor iemand die ze niet helemaal op een rijtje heeft. We komen deze mensen tegen onder hen die nog nooit in de Bijbel hebben gelezen. Ze hebben er wel over gehoord, maar waarom zouden ze er in lezen? We komen deze mensen ook tegen onder hen die dagelijks lezen in de Bijbel. Ze gaan naar de kerk, laten bepaalde dingen waarvan zij menen dat dit niet volgens de norm van Gods Woord is en ze weten vaak de Bijbelse waarheid te verwoorden. Maar diep in hun hart geloven ze niet eens in een God. Als het er op aan komt dan zeggen ze je openlijk dat ze in het geheel niet geloven. Anderen zijn wat serieuzer maar verschuilen zich achter hun geld en goed, "we hebben het zo goed, we zijn gezond en daarom komen we niet aan bekering toe, dan zal er eerst wel wat moeten gebeuren." Zelfs als je dan spreekt over de rampzalige toestand waarin ze verkeren, over het eeuwig lot wat hen wacht als ze zich niet bekeren, weten ze uitvluchten te bedenken. Ik heb gehoord dat mensen wisten te vertellen hoe het voor hen in de hel zou zijn, terwijl ze ondertussen ontspannen een glaasje limonade dronken. Hoe kan dit bestaan? Er is maar één antwoord mogelijk. Koning satan heeft hen verblind en betoverd. (Gal 3:1)

 

Andere mensen weten van de reddende boodschap, dat Jezus Christus in de wereld gekomen is om zondaren zalig te maken. Zij lezen Gods Woord, gaan naar de kerk, bidden en worstelen om bekering omdat zij zien dat het er niet goed met hen voorstaat. Zij hebben gehoord wie Jezus is en dat Zijn liefde hen wil redden. Zij voelen dat Hij het is die hen moet redden. En wat doen ze? Ze zuchten dag in dag uit tegen hun zonden, ze vechten om ze te overwinnen. Ze doen hun uiterste best om Gods geboden niet te overtreden. Het leven kan zo zwaar zijn, omdat er op elke hoek van de straat een zonde op hen loert. De ene zonde is nog niet overwonnen of de volgende overvalt hen. Vaak hebben ze het voornemen genomen om alles anders te doen maar ach, hoe viel het tegen. Ze geloven in de kracht en de wonderwerken van God en zeggen, God kan blinden de ogen openen, lamme genezen en doden opwekken. Zou hij mij dan niet kunnen bekeren? Alles in hun leven is daarop gericht. Wanneer zou God nu in mijn hart komen? Zou Hij nog naar me om willen zien? Zou het wel ooit wat worden? Ze twijfelen niet aan Zijn almacht, O nee, ze roemen in Zijn kracht en ze weten andere mensen te vertellen hoe goed hun God is. Vaak kunnen ze andere mensen aanmoedigen om de Heere te zoeken en vertellen ze hoe noodzakelijk dit is. En dat is niet zomaar een praatje, zij zelf voelen de noodzaak in hun hart. Maar waarom zijn zij nog niet gered? Ook hier is maar één antwoord mogelijk. Koning Satan heeft hen verblind en betoverd. (Gal 3:1)

 

Vrienden, deze woorden schrijf ik met een bewogen hart en in liefde. Ik hoop dat je niet boos wordt, maar dat je verder leest terwijl je hart tot God roept om wijsheid en kracht.

 

Laten wij onszelf eens wat vragen stellen. Er is één antwoord mogelijk!

- Willen wij God dienen of de satan?

-Als wij iemand gehoorzamen dan voldoen wij aan iemands wens, of dit nu van harte is of niet.

Wiens wens zou het zijn dat wij voor eeuwig verloren zullen gaan? (1 Tim. 2:4, Joh. 8:44)

-Wie beveelt ons dat we ons moeten bekeren? (Luk. 24:47, Hand. 17:30,31)

 

U kunt nu voor uzelf besluiten wie u, vrijwillig of niet, gehoorzaamd. Zou God ons oproepen om ons te bekeren in Zijn Woord als wij dat niet kunnen? Zou God zo onrechtvaardig zijn? Is God dan afhankelijk van ons? Nee wij zijn geheel afhankelijk van God. Wat een wonder, God heeft ons behoud op het oog. Hijzelf heeft de Weg tot het eeuwige leven geopend en heeft ons Zijn Woord gegeven om ons die Weg te wijzen. 'Want alzo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij Zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat een iegelijk die in Hem gelooft, niet verderve, maar het eeuwige leven hebbe, Joh. 3:16.'

 

De hoofdtekst van deze meditatie vinden we in. Efeze 2:8-9.

'Want uit genade zijt gij zalig geworden door het geloof, en dat niet uit u, het is Gods gave; Niet uit de werken, opdat niemand roeme.'

 

We komen hier de woorden 'het is Gods gave' tegen. We denken dan aan de mannen die de beide straatpredikers het zwijgen probeerde op te leggen met zijn dwaalleer. Deze mannen waren er van overtuigd dat het geloof een gave Gods is. Honderden ja duizenden waren hiervan overtuigd en weten nu dat ze door zich te laten leiden door eigen inzichten, met deze wetenschap voor eeuwig zijn omgekomen. Zij dachten dat als het geloof een gave van God is, zij daar dan op moesten wachten totdat God het hun zou geven. Vandaag zijn er nog velen die hier vast van overtuigd zijn. Het is mijn hartelijke wens, dat deze mensen hun kennis even aan de kant zetten en Gods Woord zullen openen om te onderzoeken of dit ook daadwerkelijk is zoals zij menen.

 

Laten we het vers zien in het verband, hiervoor lezen we de eerste 7 verzen van dit hoofdstuk.

'En u heeft Hij mede levend gemaakt , daar gij dood waart door de misdaden en de zonden, In welke gij eertijds gewandeld hebt, naar de eeuw dezer wereld, naar den overste van de macht der lucht, van den geest die nu werkt in de kinderen der ongehoorzaamheid; Onder dewelke ook wij allen eertijds verkeerd hebben in de begeerlijkheden onzes vleses, doende den wil des vleses en der gedachten; en wij waren van nature kinderen des toorns, gelijk ook de anderen. Maar God, Die rijk is in barmhartigheid, door Zijn grote liefde waarmede Hij ons liefgehad heeft, Ook toen wij dood waren door de misdaden, heeft ons levend gemaakt met Christus ( uit genade zijt gij zalig geworden), En heeft ons medeopgewekt, en heeft ons medegezet in den hemel in Christus Jezus; Opdat Hij zou betonen in de toekomende eeuwen den uitnemenden rijkdom Zijner genade, door de goedertierenheid over ons in Christus Jezus.'

Met deze woorden, geschreven door Paulus aan de Galaten wijst hij op de uitnemende rijkdom van Gods genade in Christus, voor hen die van nature ongehoorzame kinderen des toorns waren. En dan begint vers 8 met: "want uit genade zijt gij zalig geworden" Niets uit ons maar alles enkel uit genade bij God vandaan.

 

Van nature zijn wij kinderen des toorns. Dood door de misdaden, zo dood dat we niet verstaan de dingen die van Gods Geest zijn. (1 Kor. 2:13) We leven naar eigen inzichten en geloven niet dat God werkelijk geen lust heeft in de dood van de goddelozen maar daarin dat zij zich bekeren. (Ezech. 18) Er is niets in hen dat uitgaat naar de levende God, geen verlangen om Hem groot te maken. Van nature zien wij niet, al lezen we de Bijbel, dat God ons behoud op het oog heeft. Dat Hij van eeuwigheid een weg heeft uitgedacht om ons weer aan te nemen tot Zijn kinderen. Daarvoor moest Hij ons maken van kinderen des toorns tot kinderen des Lichts. Dat kon niet anders dan door een weg van recht.

 

God de Vader gaf Zijn eigen enig geboren Zoon over in de handen van moordenaars, Christus Jezus moest de schuld betalen. Hij de zondeloze, de rechtvaardige, getrouwe en liefdevolle Jezus werd tot zonde gemaakt om zondaren vrij te kopen. Zie, dit is het geschenk van God! Dit is Gods gave (gift). Zijn eigen Zoon is de gave. Door Hem is er voor ons bevrijding van zonde, toorn en straf. Door Hem worden wij weer aangenomen tot kinderen. Dit is genade. Genade is het geschenk.

 

Als de Heere Jezus bij de waterput te Samaría zit, komt de Samaritaanse vrouw tot Hem om water te putten. Jezus zegt tot haar: 'Geef Mij te drinken' zij snapt er niets van, hoe kan nu een Jood aan een Samaritaan vragen om drinken, terwijl er vijandschap was tussen deze twee volken? Dan horen we de Heere Jezus zeggen: ' Indien gij de gave Gods kendet, en wie Hij is, die tot u zegt: Geef mij te drinken, zo zoudt gij van Hem hebben begeerd,en Hij zou u levend water gegeven hebben, Joh. 4:10.' We zien hier hoe de Heere Jezus Zichzelf de 'gave Gods' noemt. Een zondige vrouw komt hier in aanraking met de gave Gods en hoor hoe zij even later getuigt in de straten van Sichar: 'Komt, ziet een mens, die mij gezegd heeft alles wat ik gedaan heb; is deze niet de Christus?' Zij heeft geloofd dat deze was de Christus, de Messias die komen zou, de gave Gods.

 

Waarom leggen we zoveel nadruk op de gave van God? Omdat we in onze inleiding hebben gezien dat er zoveel misverstand is ontstaan bij velen die de Bijbel lezen. Zij geloven niet dat Jezus Christus de gave Gods is maar leggen de nadruk op het geloof, dat een gave Gods is. Als we de grondtaal bestuderen dan komen we er achter dat de zinsnede 'het is Gods gave' betrekking heeft op 'uit genade zijt gij zalig geworden', genade, is dus de gave Gods. De genade is er omdat Christus onze schuld betaald heeft, aan het vloekhout op Golgotha. De boodschap van genade komt tot ons in het lezen van Gods Woord. Wij moeten het dus niet zo verstaan, alsof er staat dat er genade is maar dat wij moeten wachten tot God ons het geloof schenkt. Dan verdraaien wij het Woord Gods tot ons eigen verderf. (2 Petr. 3:16)

 

Het bevel is zoals het staat in 1 Joh 3:23 'En dit is Zijn gebod, dat wij geloven in den naam Zijns Zoons Jezus Christus en elkander liefhebben, gelijk Hij ons een gebod gegeven heeft. Wij mogen in geen geval Gods geboden verachten of verminderen. Als God ons in Zijn Woord openbaart of bekendmaakt dat in Zijn Zoon ons eeuwige leven is besloten voor een ieder die in Hem gelooft. Dan mogen wij dit niet in twijfel trekken. 'Hierin is de liefde Gods jegens ons geopenbaard, dat God Zijn eniggeboren Zoon gezonden heeft in de wereld, opdat wij zouden leven door Hem. 1 Joh. 4:9' Wat een geschenk! In Romeinen 5:15 lezen we dat Paulus, de genade God noemt, de genadegift, en de gerechtigheid van Christus, omschrijft als de gave door de genade.

We lezen in de woorden van onze tekst: 'Want uit genade zijt gij zalig geworden door het geloof'

Het is dus alles genade en genade is de verlossing door Christus Jezus, het geschenk van God onze Vader. Maar hoe krijgen wij nu deel aan dit geschenk, eenvoudiger gezegd, wanneer is deze gave van God nu voor ons de reddende genade?

 

Er is maar één antwoord mogelijk, niet uit de werken maar door het geloof. Zoals we ook lezen in Romeinen 4:5: 'Doch degene, die niet werkt, maar gelooft in Hem, die de goddeloze rechtvaardigt, wordt Zijn geloof gerekend tot rechtvaardigheid.' Als wij als een goddeloze zondaar komen tot Jezus en Hem gelovig omhelzen dan wordt op datzelfde moment Zijn gerechtigheid de onze, dan neemt de Vader in de Hemel ons aan tot Zijn kinderen en ziet ons voortaan aan in Christus(Gal. 2:19), Hij ziet in ons geen zonden meer (Rom. 8:1,2). Vanaf dat moment woont de Heilige Geest in ons (2 Cor.1:22, Ef. 1:13), Die ons leid in Gods wegen en vruchtbaar maakt tot goede werken. In Zijn kracht vinden wij kracht, troost, licht en leven.

 

Is zalig worden dan zo eenvoudig? Wij hebben gedaan wat kwaad is in Gods ogen, wij verdienen de eeuwige dood omdat wij God hebben verlaten. Maar God heeft geen lust in onze dood, Hij heeft ons Zijn gave gegeven, dat is de genade in Christus Jezus, zodat allen die in Hem geloven voor eeuwig behouden zijn. God onze Zaligmaker die wil dat alle mensen zalig worden en tot de kennis der waarheid komen. (1 Tim. 2:3) Daarom heeft Hij Zijn Zoon gezonden, opdat een iegelijk die in Hem gelooft behouden is. (Joh. 3)

 

Vrienden, zonder geloof kunnen wij niet behouden worden, al ons zuchten, roepen, bidden en reformeren is zonder geloof, Godslasterlijk. Wij maken God tot een leugenaar als wij niet geloven dat Hij ons heeft liefgehad en dat Hij niet wil dat wij verloren gaan. 'Die in den Zone Gods gelooft, heeft de getuigenis in zichzelven; die God niet gelooft, heeft Hem tot een leugenaar gemaakt, dewijl hij niet geloofd heeft de getuigenis die God getuigd heeft van Zijn Zoon. En dit is de getuigenis, namelijk dat ons God het eeuwige leven gegeven heeft; en ditzelve leven is in Zijn Zoon. Die den Zoon heeft, die heeft het leven; die den Zone Gods niet heeft, die heeft het leven niet, 1 Joh. 5:10-12.'

 

Heel Gods Woord is op ons behoud gericht, het is een liefdesbrief van de hemel aan ons gericht. Wij mogen dit Woord dankbaar aan ons hart drukken en geloven dat Jezus Christus gekomen is om ons te behouden. Wat een liefde, wat een genade! Bekeert u en gelooft het Evangelie. (Mark. 1:15)

 

Het is onze natuur om te werken, dit willen wij ook doen om behouden te worden. In Johannes 6 lezen we dat de schare door de Heere Jezus onderwezen werd. Hij sprak tot hen: 'Werkt niet om de spijze die vergaat, maar om de spijze, die blijft tot in het eeuwige leven, welke de Zoon des mensen ulieden geven zal; want dezen heeft God de Vader verzegeld. Zij zeiden dan tot Hem: Wat zullen wij doen opdat wijde werken Gods mogen werken? Jezus antwoordde en zei tot hen: Dit is het werk Gods, dat gij gelooft in Hem, dien Hij gezonden heeft. We zien dus dat zij willen werken een werk Gods, met andere woorden, welk werk kunnen wij dan doen om zalig te worden. Jezus antwoord hen dan dat als zij geloven in Hem zij een werk Gods doen. Als zij geloven in Christus als de Zaligmaker, dan gehoorzamen zij daarmee Gods gebod.(1 Joh. 3:23)

 

Wij gaan niet verloren omdat wij zondigen, want Christus heeft onze zonden betaald, maar wij gaan verloren omdat wij de betaling van de zonden niet geloven. En daarmee onze vrijbrief niet aanvaarden. Jezus, onze Zaligmaker sprak: 'Ik heb u gezegd dat gij in uw zonden zult sterven; want indien gij niet gelooft dat Ik die ben, gij zult in uw zonden sterven. Joh. 8:24 ' 'Die in hem gelooft wordt niet veroordeeld; maar die niet gelooft is alrede veroordeeld, dewijl hij niet heeft geloofd in de Naam des eniggeboren Zoons van God.'

 

Wat een heerlijke maar tegelijk ernstige boodschap komt er tot ons. Onze God brengt ons de reddende Boodschap, dat Hij de Redder van de wereld heeft gezonden, die betaald heeft voor de zonden van allen die gelovig in Hem rusten. Maar nu de vraag: Rusten wij al in Zijn offer?

 

Lieve vrienden als je nu nog leeft zonder dat je weten mag gered te zijn. Dan is er vandaag een gewillige Jezus die tot u roept: 'Komt herwaart tot Mij' (Matth. 11:28). Hij zal u rust geven. Als u nu voelt en er van overtuigd bent dat u zo zondig als u bent een redder nodig heeft, dan zeggen wij u in de naam van onze God, er is leven, in het bloed van Jezus. Laat u zaligen. Geloven is God voor waar houden en rusten in Zijn Woord. Toen de engel tot Maria kwam met de blijde boodschap dat zij Jezus baren zou, sprak Maria:  'mij geschiede naar uw woord, Luk. 1:38' Zie hier haar geloof.

 

 

Een bevel van God vraagt om gehoorzaamheid, wij mogen Gods bevelen niet ongehoorzaam zijn. Wat een liefde dat God ons zelfs bevolen heeft om te geloven. Hij had ons rechtvaardig verloren kunnen laten gaan. Maar nu, wij hebben een keus. Als wij weigeren te eten dan sterven wij onherroepelijk, als wij weigeren te geloven dan gaan wij verloren. Johannes zei niet tot het volk, 'ga God bidden of Hij je bekeren wilt', maar hij zei: 'bekeert u!' Wij kunnen eindeloos bidden om een nieuw hart, maar als wij niet geloven, gaan wij verloren. God heeft ons het genade geschenk gegeven, wij mogen dit dankbaar aanvaarden. En daarmee eeuwig leven in ontvangst nemen. Laten we toch eens alle tegenwerpingen van ons afwerpen, zeg niet ik heb geen vrije wil. God roept u op om u te bekeren. En tot Jeruzalem sprak Hij: 'hoe menigmaal heb Ik uwe kinderen bijeen willen vergaderen, gelijkerwijze een hen hare kiekens bijeenvergadert onder de vleugelen; en gijlieden hebt niet gewild. Jezus, predikte de Woorden van eeuwig leven, maar zij hebben niet gewild, Matth. 23:37.' Zal dit straks ook van ons gezegd moeten worden?

 

Ik geloof dat er zijn, die worstelen met hun behoud, dat zij niet weten hoe zij nu gered moeten worden. Laat alle ingewikkeldheid eens vallen. Leg je neer aan Jezus voeten, in de belijdenis van je zonden en laat je zaligen. Gelooft alleenlijk, hoor naar Zijn stem: 'Uw geloof heeft u behouden.'

Komt u geloofskracht tekort? Roep tot de levende God 'O God, ik geloof, vermeerder mijn geloof.'

Als u gelovig tot God komt in de uitroep: 'O God wees mij zondaar genadig', weet den geloof dan, dat God u genadig is.

 

Zalige vrienden, wat een vreugde om geborgen te zijn in de Schuilplaats des Allerhoogsten. Om te mogen weten dat er nu geen verdoemenis meer is, maar eeuwig blijdschap. Jezus, onze Heiland, stierf voor onze zonden. Hij heeft ons liefgehad met een eeuwige liefde. Wij mochten onszelf uit handen geven en gewillig overgeven in Zijn handen. Wij mochten onze zonden belijden aan Zijn dierbare doorboorde voeten en ervaren dat er stromen van eeuwig leven uit Hem vloeide. Wij kunnen niet meer leven buiten Zijn gemeenschap. Ieder dag mogen wij de toevlucht nemen tot de fontein die in Zijn wonden geopend is. Onuitsprekelijke liefde, dat Hij ons heeft willen opzoeken, wij zochten niet naar hem maar Gods Woord kwam tot ons, wij mochten capituleren en in dat capituleren vonden wij in Hem ons leven. Zijn Woord wordt iedere dag rijker, het is ons kompas, ons richtsnoer en in deze liefdesbrief vinden wij de woorden van eeuwig leven. 'Staat dan in de vrijheid met welke ons Christus heeft vrijgemaakt, en wordt niet wederom met het juk der dienstbaarheid bevangen. Gal. 5:1' Laten we staan in de vrijheid, door dicht bij onze Jezus te leven, laten wij met Johannes ons hoofd rusten aan de borst van Jezus. Waakzaam zijn tegen de aanvallen van de boze. Hij is er op uit om de vrede uit ons hart en leven te verjagen. Hij is er op uit om een smaad en smet op Gods Naam te brengen. Waken betekent opmerkzaam, alert en actief te zijn. Laten wij elkaar opscherpen en vermanen indien wij niet leven naar Gods Heilig Woord. Opdat Zijn Naam door ons geheiligd worde. Zalige vrienden, wat een rijkdom in onze Jezus. In Hem is ons leven, in Hem onze gerechtigheid en heiligheid. Wij mogen wandelen in het Licht en straks worden wij opgenomen in Zijn heerlijkheid. Wat een vreugde, wat een toekomst, Komt, maakt God met ons groot. 'Doch Gode zij dank voor Zijn onuitsprekelijke gave, 2 Kor. 9:15.' Amen.

 

Psalm 107 vers 1

Looft, looft den HEER' gestadig;

Die Oppermajesteit

Is gunstrijk, zeer genadig,

En goed in eeuwigheid.

Dit zegg' elk die, gered

Door Hem van slaafse banden,

In vrijheid is gezet

Uit 's weêrpartijders handen;