M12 Zie het Lam Gods

25-03-2016 10:19

‘Gij hebt geen lust gehad aan slachtoffer en spijsoffer; Gij hebt mij de oren doorboord; brandoffer en zondoffer hebt Gij niet geëist. Toen zeide ik: Zie, ik kom; in de rol des boeks is van mij geschreven. Ik heb lust, o mijn God! om Uw welbehagen te doen; en Uw wet is in het midden mijns ingewands, Ps. 40:7-9.’

 

David, de man naar Gods hart (1 Sam. 13;14) getuigt in de veertigste psalm van Gods genade. Hij heeft de HEERE lang verwacht en heeft ervaren hoe zijn geroep werd beantwoord. Zinkend in een kuil en modderig slijk heeft God hem daaruit getrokken en zijn voeten gezet op een rotsteen. Een nieuw lied klimt uit zijn hart omhoog bij het zien op de HEERE Die nooit beschaamd laat uitkomen, allen die op Hem betrouwen. David, de man naar Gods hart, had in zijn leven ontdekt dat als God niet genadig was, hij allang vergaan was. Vaak had hij zich voorgenomen om te leven tot eer van Zijn God, ja hij had gezongen; “De Heere is mijn Herder, mij zal niets ontbreken.” Maar ach die David, hoe was hij gevallen in diepe zonden. Juist in deze weg moest hij leren dat God niet gediend kon worden met goede voornemens, niet met gebeden, met offers of goede werken. Nee God zoekt aanbidders die Hem aanbidden in Geest en waarheid (Joh. 4:24). God ziet niet aan wat wij met ogen zien, maar kijkt naar het hart van de mens (1 Sam. 16:7). Een offer op zichzelf is voor God niet aangenaam maar als dit offer gebracht wordt met een hart dat op Hem gericht is, Hem zoekt en voor Hem wil buigen, dan is dat een offer tot glorie van God. Terwijl in verwondering, de lof en aanbidding opklimt tot in de hemel, profeteert David van de Messias, Die komen zou. ‘Gij hebt geen lust gehad aan slachtoffer en spijsoffer; Gij hebt mij de oren doorboord; brandoffer en zondoffer hebt Gij niet geëist. Toen zeide ik: Zie, ik kom; in de rol des boeks is van mij geschreven. Ik heb lust, o mijn God! om Uw welbehagen te doen; en Uw wet is in het midden mijns ingewands, Ps. 40:7-9.’

 

Toen de HEERE het verbond sloot met Zijn volk Israël aan de voet van de Sinaï gaf Hij Zijn heilige wetten, die zo goed en rechtvaardig zijn, ja wetten die iets openbaren van Gods trouwe zorg, liefde en ontferming. Al spoedig ontdekten zij dat zij voor God en Zijn heiligheid niet bestaan konden. Zij hadden beloofd te leven naar Zijn wil maar bemerkten al spoedig dat hun verdorven wil zo veel sterker was dan hun gehoorzamen aan God. Juist ook in deze weg ontrolt de HEERE Zijn heilsplan met Zijn Volk dat voort zal gaan tot aan het uiterste van de aarde.

 

Nadat, na 2000 jaar zonde, de eerste wereld met al haar ongerechtigheid vergaan was door de grote vloed, stond Noach bij een altaar. Hij nam van het reine vee en gevogelte en offerde de HEERE brandoffers waarvan de rook een liefelijke reuk was voor de HEERE. Daar beloofde God de aarde nooit meer te vervloeken omwille van de mensen, ‘want’, zo zegt de HEERE; ‘het gedichtsel van des mensen hart is boos van zijn jeugd aan, Gen. 8:21.’ Ruim 400 jaar later zien we Abraham op de berg, daar staat hij bij het altaar om zijn eniggeboren zoon, de zoon die hij liefheeft, ten brandoffer te brengen voor de HEERE. Abraham was God gehoorzaam, tegen alle menselijke redenering in wilde hij volgen zonder vragen. Als Abraham als het ware dwars door de dood zijn zoon terugkrijgt, sterft er een ram in de plaats van zijn zoon Izak. God Zelf heeft voorzien. Dan bevestigt de HEERE Zijn belofte aan Abraham. ‘En in uw Zaad zullen gezegend worden alle volken der aarde, naardien gij Mijn stem gehoorzaam zijt geweest, Gen. 22:18.’ 400 jaar later zien we de eerstgeborenen van het volk Israël onder aan de berg Sinaï, zij brengen brandoffers aan de Allerhoogste waarmee zij te kennen geven, te willen leven naar de wil van hun HEERE (Ex. 24:5). Als Mozes dan nogmaals de berg beklimt, ontvangt hij instructie voor de bouw van de Tabernakel en alles wat daarbij komt kijken, van de bijzondere details van de verschillende voorwerpen tot de priesters met hun kleding en de voorschriften van de verschillende offers.

 

Als we deze zaken lezen en overdenken dan moeten we wel stil worden. Steeds opnieuw klonken de woorden, “gelijk de HEERE geboden heeft”. Hij Zelf draagt zorg, gebiedt en ziet toe op de naleving. Hoe schittert in deze hele wetgeving Gods genade. Hij openbaart in heel de Tabernakeldienst met haar offers, de verzoening door het bloed, want, zonder bloedstorting is er geen vergeving (Hebr. 9:22). Een vijftal offers worden gegeven en gedetailleerd beschreven in het boek Leviticus. Een brandoffer, spijsoffer, dank of vredeoffer, een zond en schuldoffer. Het woord “offer” is afkomstig van “corban” dat naderbij komen betekent. Door de offerdienst heeft de HEERE voor ons mensen de weg geopend om nader bij Hem te komen. De eerste drie offers waren de vrijwillige offers die men bracht vanuit een gemeenschapsrelatie. Deze vuuroffers waren een liefelijke reuk voor de HEERE. De andere twee offers moesten gebracht worden bij zonde en schuld. Wanneer men niet moedwillig gezondigd had, dan was daar het offer tot vergeving der zonde. De zondaar legde zijn hand op de kop van het dier waarna het plaatsvervangend stierf. Al de offers die gebracht werden, ja al het bloed dat vloeide wees heen naar het Lam Gods dat komen zou. Hij is gekomen en plaatsvervangend als slachtoffer voor de zonden geofferd (Hebr. 10:12). Zoals de brandoffers van Noach en Abraham een liefelijke reuk waren voor de HEERE, zo moest de Christus lijden en sterven opdat zondaren weer in de liefdesgemeenschap met God de Vader hersteld konden worden. Hij was het brandoffer waar David van profeteerde. Zijn hele leven was een spijsoffer want het was Zijn spijze de wil te doen van Zijn Vader (Joh. 4:34). Deze Jezus, de Vredevorst gaf Zijn leven. Verzoening, een liefelijke reuk, ja volkomen vrede bracht Hij. ‘Want het is des Vaders welbehagen geweest, dat in Hem al de volheid wonen zou; En dat Hij, door Hem vrede gemaakt hebbende door het bloed Zijns kruises, door Hem, zeg ik, alle dingen verzoenen zou tot Zichzelven, hetzij de dingen, die op de aarde, hetzij de dingen die in de hemelen zijn, Kol. 1:19,20.’ Zonde en schuld maken scheiding tussen God en mensen. Daarvoor moest de Heere Jezus Christus komen, ja sterven, opdat zondaren in Hem het leven zouden vinden. ‘Waarlijk, Hij heeft onze krankheden op Zich genomen, en onze smarten heeft Hij gedragen; doch wij achtten Hem, dat Hij geplaagd, van God geslagen en verdrukt was. Maar Hij is om onze overtredingen verwond, om onze ongerechtigheden is Hij verbrijzeld; de straf, die ons den vrede aanbrengt, was op Hem, en door Zijn striemen is ons genezing geworden, Jes. 53:4,5.’ Hoe heerlijk schittert Gods genade en ontferming in de offerdienst, het had alles ten doel om in de nabijheid van God te komen en te kunnen zijn. De Heere Jezus Christus, stierf als het Lam Gods dat de zonde der wereld wegneemt aan het kruishout van Golgotha, daar is Hij een vloek geworden opdat vloekwaardigen teruggebracht konden worden in de nabijheid van God de Vader.

 

Lieve vrienden, hebben wij onze hand al gelegd op het hoofd van het Lam? Hebben wij in Hem al het Lam gezien Die in onze plaats heeft willen lijden en sterven? Daar hing Hij, de Koning der Joden, bespot en bespuugd, geslagen en verwond, ja doorboord aan handen en voeten. Daar riep Hij het uit: “Mijn God, Mijn God, waarom hebt Gij Mij verlaten? ” O zondaar, het was omwille van uw zonden. Daar hing Hij in diepe duisternis, de angsten der hel moest Hij, de Rechtvaardige, doorstaan om onrechtvaardige te kunnen redden. O liefde Gods oneindig groot. Hoor hoe Hij bidt; “Vader vergeef het hun, want zij weten niet wat zij doen.” Lieve vrienden daar hing de Zoon van God, Hij wist wat Hij deed, van eeuwigheid heeft Hij gedachten van vrede gehad. ‘Want Christus, als wij nog krachteloos waren, is te Zijner tijd voor de goddelozen gestorven. Want nauwelijks zal iemand voor een rechtvaardige sterven; want voor den goede zal mogelijk iemand ook bestaan te sterven. Maar God bevestigt Zijn liefde jegens ons, dat Christus voor ons gestorven is, als wij nog zondaars waren. Veel meer dan, zijnde nu gerechtvaardigd door Zijn bloed, zullen wij door Hem behouden worden van den toorn. Want indien wij, vijanden zijnde, met God verzoend zijn door den dood Zijns Zoons, veel meer zullen wij, verzoend zijnde, behouden worden door Zijn leven. En niet alleenlijk dit, maar wij roemen ook in God, door onzen Heere Jezus Christus, door Welken wij nu de verzoening gekregen hebben, Rom. 5:6-11.’

 

De Israëliet die gezondigd had nam het lam en ging naar de tabernakel, legde de hand op de kop van het lam en moest het dan doden. Daar waar het bloed van de zondaar moest stromen, stroomde het bloed van het lam. De priester nam het bloed en streek dat met zijn vinger aan de hoornen van het brandofferaltaar. Nadat hij het overige bloed had uitgegoten aan de voet van het altaar, stak de priester het vet aan; ‘zo zal de priester voor hem verzoening doen van zijn zonden, en het zal hem vergeven worden, Lev. 4:26.’ Wat een vreugde moest het hart van deze zondaar vervullen, daar was hij weer hersteld in relatie met Zijn God.

 

Het is voor ons belangrijk om te beseffen dat dit alles alleen kracht en waarde had wanneer het in geloof gebeurde. God gaf deze offerdienst opdat de mens in Zijn nabijheid zou komen, maar een offer brengen met een onoprecht hart, was van geen waarde. In Jesaja 1:10-20 en Amos 5: 21-27 lezen we dat God een diepe haat heeft tegen een godsdienstige vorm zonder geloof. Zogenaamde gehoorzaamheid zonder liefde is slaafse vrees. Ik moet denken aan een gesprek dat ik van de week had met een groep moslims. Zij waren allen overtuigd van hun godsdienst maar konden mij niet vertellen waarom ik ook moslim zou moeten worden. Tijdens het gesprek werden zij onrustig omdat ik aantoonde dat zij mij meer konden vertellen over hun jas, dan over dat wat volgens hun zo belangrijk was. Eén van de jongens gaf aan dat ik het eens moest vragen aan iemand die er verstand van had. Terwijl hij dat zegt komt achter hem de Imam langslopen, hij groet ons en wordt door de jongens geroepen. Ik stel mijzelf voor en leg uit dat deze moslims mij niet kunnen vertellen wat hun geloof nu eigenlijk voor hen betekent. Hij geeft aan dat dat ook best moeilijk is en dat het vaak een diep gevoel is dat je niet onder woorden kunt brengen. Ik vraag hem naar zijn relatie met God, hij accepteert het feit dat ik spreek over God in plaats van Allah. Tijdens het gesprek blijkt dat zijn leven als Moslim een slaafs leven is van doen en laten, van bidden op vaste tijden en omdat hij het gebed van tussen de middag gemist had was hij nu haastig op weg naar de moskee om niet in de knoei te komen met het volgende gebed. In zijn hart voelde hij nu een haper. In tegenstelling tot de rest van de jongens dacht hij wel na over na de dood. Hij hoopte dat de gebeden van de profeten bij de oordeelstroon hem zouden vrijpleiten. Lieve vrienden, hoe verschrikkelijk dat net als bij de moslim ook velen die zich christelijk noemen, leven als slaven en hopen op een positief einde van hun leven terwijl er voorbij gegaan wordt aan Gods gerechtigheid. God kan van Zijn recht geen afstand doen. God ziet geen zonden door de vingers en kan ze niet vergeven dan alleen op grond van het plaatsvervangend offer.

 

Heel deze heerlijke offerdienst was alles de voorafschaduwing van dat heerlijke dat komen zou. ‘Want het is onmogelijk, dat het bloed van stieren en bokken de zonden wegneme. Daarom, komende in de wereld, zegt Hij: Slachtoffer en offerande hebt Gij niet gewild, maar Gij hebt Mij het lichaam toebereid, Hebr. 10:4,5.’ Vrienden, zie het Lam Gods en bedenk dat de naam Jezus geen waarde voor u heeft zolang u Hem niet in het geloof hebt omhelsd. Meent niet dat u te goed of te slecht bent, uw zonden maken scheiding tussen God en uw ziel, u bent buiten deze Jezus doodschuldig en zult straks het oordeel der verdoemenis ontvangen. Maar er is hoop, Jezus leeft, bekeert u, zie het Lam Gods, leg in het geloof uw hand op Hem en ontvang Zijn zegen. ‘Want alzo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij Zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat een iegelijk die in Hem gelooft, niet verderve, maar het eeuwige leven hebbe, Joh. 3:16.’

 

Jezus Christus, de Zoon van God, is gestorven en begraven, Hij is opgestaan en opgevaren,; ‘wij hebben zodanigen Hogepriester, Die gezeten is aan de rechterhand van den troon der Majesteit in de hemelen, Hebr. 8:1.’ Jezus Christus is gisteren en vandaag Dezelfde tot in der eeuwigheid. Laten wij ieder persoonlijk voor Gods aangezicht onderzoeken hoe het is in ons hart. Leven wij nog met en in de zonden? Is er schuld tussen u en God? Onder het oude verbond moest u sterven, denk niet dat het vandaag anders is. ‘Als iemand de wet van Mozes heeft te niet gedaan, die sterft zonder barmhartigheid, onder twee of drie getuigen; Hoeveel te zwaarder straf, meent gij, zal hij waardig geacht worden, die den Zoon van God vertreden heeft, en het bloed des testaments onrein geacht heeft, waardoor hij geheiligd was, en den Geest der genade smaadheid heeft aangedaan? Hebr. 10:28,29.’ Deze woorden zijn niet om mensen bang te maken maar om aan te sporen het leven te zoeken en te vinden daar waar het alleen te vinden is. Hijzelf heeft gezegd dat Hij de Weg, de Waarheid en het leven is (Joh. 14:6). Zoek het dan nergens anders!

 

Lieve broeders en zusters, u die in Hem de verzoening gevonden hebt, loof en prijs Zijn heerlijke Naam. ‘Wordt niet omgevoerd met verscheidene en vreemde leringen; want het is goed, dat het hart gesterkt wordt door genade, niet door spijzen, door welke geen nuttigheid bekomen hebben, die daarin gewandeld hebben. Wij hebben een altaar, van hetwelk geen macht hebben te eten, die den tabernakel dienen. Want welker dieren bloed voor de zonde gedragen werd in het heiligdom door den hogepriester, derzelver lichamen werden verbrand buiten de legerplaats. Daarom heeft ook Jezus, opdat Hij door Zijn eigen bloed het volk zou heiligen, buiten de poort geleden. Zo laat ons dan tot Hem uitgaan buiten de legerplaats, Zijn smaadheid dragende. Want wij hebben hier geen blijvende stad, maar wij zoeken de toekomende. Laat ons dan door Hem altijd Gode opofferen een offerande des lofs, dat is, de vrucht der lippen, die Zijn Naam belijden, Hebr. 13:9-15.’ Amen.

 

Psalm 40 vers 4,5 en 8

 

Brandofferen, noch offer voor de schuld,

Voldeden aan Uw eis, noch eer.

Toen zeid' ik: "Zie, ik kom, o HEER;

De rol des boeks is met Mijn naam vervuld.

Mijn ziel, U opgedragen,

Wil U alleen behagen;

Mijn liefd' en ijver brandt:

Ik draag Uw heil'ge wet,

Die Gij den sterv'ling zet,

In 't binnenst' ingewand."

 

Uw heilleer wordt door mij alom verbreid;

'k Bedwing mijn tong en lippen niet;

Gij weet het, HEER, die alles ziet.

Mijn hart verbergt nooit Uw gerechtigheid;

Uw waarheid doe ik horen;

Uw heil, den mens beschoren,

Vloeit daaglijks uit mijn mond;

Uw gunst, Uw trouw, Uw woord

En Godsgeheimen, hoort

Uw talrijk volk in 't rond.

 

Verheug het volk, verblijd hen allen, HEER,

Die naar U zoeken t' elken stond';

Leg steeds Uw vrienden in den mond:

"Den groten God zij eeuwig lof en eer."

Schoon 'k arm ben en ellendig,

Denkt God aan mij bestendig;

Gij zijt mijn hulp, mijn kracht,

Mijn redder, o mijn God,

Bestierder van mijn lot,

Vertoef niet, hoor mijn klacht.

 

Wilco Vos Veenendaal 22-03-2016