M16 Pesach alleen in Jeruzalem?

22-04-2016 08:59

‘Dan zult gij den HEERE, uw God, het pascha slachten, schapen en runderen, in de plaats, die de HEERE verkiezen zal, om Zijn Naam aldaar te doen wonen, Deutr. 16:2.’

 

Gezellig kroop hij tegen z’n vader aan, het was vanavond opblijfavond. “Pap wilt u vanavond weer voorlezen uit het spannende boek?” “Dat is goed jongen of zal ik een verhaal vertellen van heel lang geleden, wel zo ongeveer drieëndertighonderd jaar geleden?” “Ja dat is goed, maar wel spannend hè?” “Ja jongen dit wordt een spannend verhaal en een verhaal waar we veel van kunnen leren. Weet je wat, we pakken de Bijbel erbij, zoek jij Exodus 12 maar op.” “Exodus gaat toch over de uittocht uit Egypte?” “Ja dat heb je goed, maar voordat het volk Israël uit Egypte weg is gegaan is er heel wat gebeurd.” “Ja toen waren de plagen er hè? Van die kikkers in alle huizen en sprinkhanen die alles op het land opaten.” “Heel goed, weet je ook nog wat de laatste plaag was?” “Toen moesten alle oudste jongens sterven.” “Juist, je hebt het goed onthouden. Ruim drieduizend en zevenhonderd jaar geleden werd Jozef door zijn broers verkocht naar Egypte. Op een wonderlijke manier heeft de Heere hem verlost uit de gevangenis waarin hij onschuldig zat en gemaakt tot onderkoning. Toen er honger in de landen kwam, trokken de mensen naar Egypte om voedsel te halen. Zo is uiteindelijk de vader van Jozef met zijn broers in Egypte gekomen, je kent dat verhaal. Vader Jakob had het bebloede kleed van Jozef gezien en meende dat zijn zoon gestorven was. Hoe groot was de vreugde toen hij Jozef ontmoette als de redder van de wereld. Zo zie je dat de Heere vaak wonderlijke wegen gaat, wij begrijpen vaak niet hoe het alles gaat. Voor ons lijkt soms alles te mislukken maar dan ineens zien we daar de wonderlijke leiding van de Heere.”

 

“Wat zijn we eigenlijk veilig bij de Heere hè pap? We hoeven helemaal niet te weten hoe alles zal gaan, Hij zorgt toch voor ons?” “Ja, ik wilde wel dat ik dat altijd zo kon zien en daarop kon vertrouwen!” “Maar waarom doet u dat dan niet?” Omdat ik zo vaak kijk naar de dingen die gebeuren en dan helemaal vergeet dat de Heere overal Zijn bedoeling mee heeft en dat Hij alles in Zijn hand heeft. Weet je jongen, ik moet steeds weer leren om eenvoudig te geloven en te vertrouwen als een kind op zijn vader.”

 

Terwijl vader voelt hoe zijn zoon zich dichter tegen hem aandrukt, gaat hij verder. “Weet jij nog dat de Heere, Jakob een nieuwe naam heeft gegeven nadat hij met God heeft geworsteld?” “Ja, Jakob kreeg de naam Israël.” “Precies, we lezen in Genesis 32:28; ‘Uw naam zal voortaan niet Jakob heten, maar Israël; want gij hebt u vorstelijk gedragen met God en met de mensen, en hebt overmocht.’ En de kinderen van Jakob werden de Israëlieten genoemd. Nu was het volk Israël zo groot geroeid dat de Farao van Egypte bang was dat ze hem van de troon zouden stoten. Hij heeft het volk verdrukt en onder de zware slavenarbeid zijn ze gaan roepen tot de Heere in de hemel. Zo zie je dat mensen vaak pas in moeilijke omstandigheden gaan denken aan de Heere, Die ze maar al te gemakkelijk vergeten als alles goed gaat in de wereld. De Heere hoorde hun stem en zou hen uit Egypte gaan voeren onder leiding van een Israëlitische man die eerst veertig jaar in Egypte had gewoond en daarna veertig jaar in de woestijn had rondgezworven als herder van schapen. Weet jij nog hoe hij heet?” “Mozes” “Goed zo, Mozes, een geleerde man, moest herder worden, veertig jaar zorgen voor schapen om het volk van God uit Egypte te voeren en veertig jaar met hen rond te trekken in de woestijn. Maar voordat zij zouden trekken moest er nog heel wat gebeuren. De koning van Egypte zou zijn slaven niet zomaar laten gaan. Daar moest wel een sterke hand van God komen om deze harde Farao zover te. Daarom stuurde de Heere Zijn oordelen, tien plagen waren nodig om Farao zo ver te krijgen dat hij zijn slaven wegstuurde. Tien plagen heeft de Heere gebruikt en in elke plaag liet de Heere zien hoe veel machtiger Hij is dan alle afgoden van de wereld. Bij iedere plaag moest Egypte zien hoe hun zogenaamde goden machteloos waren om hen te beschermen.”

 

“Maar pap, dat is toch eigenlijk gemeen van die Farao dat hij zijn eigen volk zo liet lijden onder al die plagen.” “Ja, zo gaat het ook in de wereld, de machtigen van deze aarde, die menen te kunnen regeren zonder de zegen van de Heere, zijn als het erop aankomt, net zo wreed als Farao. Wat denk je van de duivel? Hij laat deze wereld er uitzien als een speeltuin waarin mensen zich vermaken maar ondertussen zijn zij zijn slaven, ze moeten aan van alles voldoen en mee rennen met de grillen van de slavenmaatschappij. En de Farao van vandaag schrikt er niet voor terug om zijn doel te bereiken ook al kost dat de levens van zijn volk.”

 

“Hoe ging het nu verder met de het volk Israël?” “O ja, laten we verder gaan en maar gelijk naar Exodus 12 kijken. Negen plagen zijn er al voorbij en nog steeds heeft Farao het volk Israël in zijn macht. Dan gaat de Heere een definitief einde maken aan de macht van Farao over Zijn volk. De Israëlieten krijgen de opdracht om een dier in huis te nemen, weet jij nog welk dier?” “Een lammetje en aan dat lammetje mocht niets mankeren.” “Juist, een lam, bedenk wel dat het niet zo’n klein lammetje was, als wat wij in de wei zien springen, het moest een lam van één jaar oud zijn, dat is al een heel schaap. En dat lam moesten zij van de tiende dag van de maand tot de veertienden in huis nemen, zo konden ze gelijk bekijken of alles echt goed was aan het lam. Op de veertiende dag tussen de twee avonden, dat is zo ongeveer drie uur in de middag moest men het lam slachten.” ”Maar pap, dat is toch eigenlijk erg dat dat lieve lam moest sterven, dat heeft toch helemaal niets verkeerds gedaan, wat kon dat beestje er nu aan doen dat die Farao zo’n gemene man was?” “De Heere wil ons hier iets heel belangrijks leren. Dat onschuldige lam moest sterven om een heel volk te kunnen verlossen. Als we verder gaan, zal je zien hoe heerlijk de betekenis van dit lam is ook voor jou en mij vandaag. Ze moesten van dat bloed nemen en weet jij nog wat ze er mee moesten doen?” “Ja dat moest aan de deurposten en aan de bovenkant, en als dan de engel langs kwam dan waren ze veilig achter dat bloed.” “Dat is nu precies het geheim voor jou en mij, het lam moest sterven en schuilend achter dat bloed is alles veilig. Daar kon men eten van het geslachte lam met ongezuurde broden en bittere saus.” “Maar pappa, zouden de mensen achter de bebloede deurposten niet bang zijn geweest dat de engel misschien toch binnen zou komen?” “Ik geloof dat deze mensen na de woorden van Mozes en het zien van alle plagen wel geloofden dat wat hun God zei ook echt gebeuren zou. Daar waren mensen die vast vertrouwden op het woord van de Heere en misschien zijn er best mensen geweest die heel blij waren toen ze zagen hoe het bloed aan de deurposten gestreken werd en hoorden hoe veilig ze daarachter zouden zijn. Ze waren vol vertrouwen maar later op de avond kwam er misschien toch wat twijfel en hoe heerlijk was ook voor deze twijfelende mensen de uitkomst, want toen de engel klaar was met zijn verschrikkelijke werk, waren alle mensen achter het bloed van het lam veilig bewaard gebleven.” “Erg hè pap dat al die andere mensen nu zo verdrietig waren omdat bij hun de eerstgeboren dieren en mensen gestorven zijn?” “Ja dat is verschrikkelijk, je ziet hoe wreed de duivel is, hij verhindert de mensen te geloven in de God van Abraham, Izaäk en Jakob en hij doet er alles aan om ze niet te laten schuilen achter het bloed van het Lam.”

 

“Na deze verschrikkelijke plaag, heeft Farao het volk laten gaan. Je weet hoe hij nadat heel het volk was uitgetrokken toch nog weer van mening veranderde en met zijn leger achter hen aanging om ze terug te halen. Maar de God van Abraham Izaäk en Jakob, laat niet met Zich spotten. De nood werd hoog maar de uitkomst was zo heerlijk, er kwam een weg in het water, waardoor Israël verder kon trekken. Farao meende dat ook wel te kunnen maar God liet hen verdrinken.” “Pap, als u dit zo vertelt, dan voel ik me zo gelukkig, u zegt altijd dat wij mogen schuilen bij de Heere, en als we bij deze God schuilen wie kan ons dan kwaad doen?” “Ja dat is waar, als God voor ons, wie zal dan tegen ons zijn?”

 

“Maar het volk Israël heeft toch ook de opdracht gekregen om steeds weer terug te denken aan dit wonder in Egypte?” Ja dat lees je verder in het hoofdstuk, ieder jaar zou opnieuw aan deze wonderlijke verlossing gedacht worden, iedereen die bij het volk Israël hoorde mocht eten van het Pesach lam. De Heere heeft heel nadrukkelijk gezegd dat iemand die niet besneden was, er niet van mocht eten. Als er dus een vreemdeling was die mee wilde eten van het lam, dan moest hij eerst besneden worden. Later in de woestijn, bij de Sinaï, gaat de Heere verder uitleg geven. Je weet dat de Heere Zelf in het midden van Zijn volk wilde wonen, weet jij nog hoe hij dat deed?” “Toch door de offers in de tabernakel?” “Juist, met heel de tabernakel, met alles wat daarin en omheen was en gebeurde wilde de Heere Zelf bij Zijn volk wonen. Dat lees je in Exodus 29:45: ‘En Ik zal in het midden der kinderen Israëls wonen, en Ik zal hun tot een God zijn.’ Later als het volk gekomen is in het beloofde land, wordt er in Jeruzalem een tempel gebouwd. Dat is de plaats die de HEERE verkozen heeft om Zijn Naam aldaar te doen wonen, zoals Hij zegt in Deuteronomium 16 vers 2 en in die plaats moest ieder jaar het Pesachlam geslacht worden en gegeten. De Heere heeft ook daar duidelijk gezegd dat het Pesachlam niet geslacht mag worden op een andere plaats (Deut. 16:5,6). Naast het eten van het Pesachlam at men ook zeven dagen ongezuurde broden met bittere saus. Men dacht dan aan de haast waarmee zij uit Egypte zijn getrokken waarbij het brood geen tijd had om te rijzen. En de bittere saus wijst op de verdrukking. Wat is het goed om terug te zien op dat wat de Heere heeft gedaan. Hij is getrouw.”

 

“Weet je wat ik best moeilijk vind pap?” ”Nee jongen, zeg het eens.” “U hebt verteld van de Farao en de duivel of de machten van deze wereld, u hebt het gehad over het lam wat moest sterven om te verlossen uit de slavernij en over Jeruzalem en de besnijdenis. Hoe zit het dan nu met ons? Wij zijn niet uit Egypte verlost, ik ben niet besneden en wij zijn niet in Jeruzalem. Mogen wij dan geen Pesach vieren?” “Dat is een mooie vraag, je weet dat de Heere in Zijn Woord heel veel verteld door geschiedenissen en ons daarmee iets wil leren. We kunnen ook zeggen dat de Heere doormiddel van schaduwen iets wil duidelijk maken over de werkelijkheid. Zo is ook het Pesach een schaduw die ons iets verteld over een heerlijke werkelijkheid. Maar eerst even de vraag of wij nu ook Pesach mogen houden. Jij bent niet besneden, dus eigenlijk weet je het antwoord al, maar wacht even, waar mocht het Pesachlam alleen geslacht worden?” ”In Jeruzalem” “Precies en wij wonen in Nederland, dus we zouden naar Jeruzalem kunnen gaan maar helaas daar vinden we niet wat we zoeken, er is daar namelijk niet een speciale plaats waar de Naam van de Heere woont. Er is geen tempel. We weten dat na de hemelvaart van de Heere Jezus er Joden waren die tegen de tot geloof gekomen heidenen zeiden dat ze zich moesten laten besnijden en de wetten van Mozes onderhouden. De gelovige uit de heidenen werden toen onrustig en kregen het idee dat er iets ontbrak aan hun zaligheid. Toen hebben de apostelen tegen de gelovigen gezegd dat zij zich moesten onthouden van de dingen die van de afgoden besmet zijn, en van hoererij en van dat wat verstikt is en van bloed. Heel duidelijk moest wezen dat de zaligheid alleen door het geloof in de Heere Jezus Christus ontvangen wordt. We moeten dus goed begrijpen dat de gelovige heiden, jij en ik, niet verplicht zijn om ons te laten besnijden en ook niet verplicht zijn om het Pesach te vieren.” “Maar mogen wij dan helemaal niet stilstaan bij het Pesach?”

 

“Het is goed om iets duidelijker te zijn over de schaduwen en de werkelijkheid. Weet je hoe de Heere Israël noemde? Luister maar eens wat Hij zegt in Exodus 4: vers 2 en 23: ‘Dan zult gij tot Farao zeggen: Alzo zegt de HEERE: Mijn zoon, Mijn eerstgeborene, is Israël. En Ik heb tot u gezegd: Laat Mijn zoon trekken, dat hij Mij diene! maar gij hebt geweigerd hem te laten trekken; zie, Ik zal uw zoon, uw eerstgeborene doden!.’ De Heere noemt Israël, Zijn zoon, Zijn eerstgeborene. Later komt de engel Gabriél bij Maria en hij vertelt haar dat zij een Zoon zal krijgen die zij Jezus moet noemen, Hij zal de Zoon van de Allerhoogsten genoemd worden (Luk. 1:32). Deze Jezus was gekomen om Zijn volk zalig te maken van de zonden. Je weet hoe Hij als klein kind al moest vluchten naar Egypte (Matth. 2:15), zo kon de schaduw en de profetie van Hosea in vervulling gaan. ‘Als Israël een kind was, toen heb Ik hem liefgehad, en Ik heb Mijn zoon uit Egypte geroepen, Hos. 11;1.’ Voordat de Heere Jezus gedoopt wordt door Johannes de Doper zegt Johannes: ‘Zie het Lam Gods, Dat de zonde der wereld wegneemt! Joh. 1:29.’ Dan, na de doop opent de hemel zich en daalt de Geest Gods op Jezus en klinkt een stem uit de hemel: ‘Deze is Mijn Zoon, Mijn Geliefde, in Denwelken Ik Mijn welbehagen heb! Matth. 3:16,17.’ Net zoals we in de schaduw, Israël de zoon van God uit Egypte zagen trekken en door het water in de woestijn worden geleid. Zo zien we de Heere Jezus, de Zoon van God, uit het water van de doop opklimmen en in de woestijn geleid worden. Het volk Israël was veertig jaar in de woestijn en daar werden zij beproefd. Zo ook Jezus, veertig dagen was Hij in de woestijn om verzocht te worden. Nadat Hij de boze heeft overwonnen begint Hij de mensen op te roepen tot bekering en onderwijst Hij zijn discipelen hoe zij wandelen moeten maar ook hoe Hij zal lijden, sterven en opstaan. Volg je het nog jongen?” “Ja pap, mooi hoe u dat vertelde van Israël en de Heere Jezus. U vertelde dat Johannes Hem het Lam van God heeft genoemd. Ik moest denken aan het Pesachlam.” “Ja jongen, wat heerlijk als de schaduwen levend worden. Maar tegelijk wat verdrietig als de mensen dit niet willen zien. Het was in de dagen van de Heere Jezus een moeilijke tijd, al een paar honderd jaar stond de vernieuwde tempel er en bracht men offers, maar het was geworden tot een vorm zonder inhoud. Dan wandelt daar Jezus, de Zoon van God, Het Lam dat geslacht moest worden. En Hij zegt van Zichzelf: ‘En Ik zeg u, dat Een, meerder dan de tempel, hier is, Matth. 12:6.’ Alle ogen waren gericht op de tempel maar men had geen oog voor Hem die meerder is dan de tempel. Men zag op de lammeren die geofferd werden maar men zag geen heerlijkheid in Het Lam dat onder hen wandelde. De Heere had gezegd dat hij wilde wonen in het midden van Zijn volk en hier is Hij: ‘Want in Hem woont al de volheid der Godheid lichamelijk, Col. 2:9.’ En hoor mijn jongen wat een rijkdom de gelovige in Hem ontvangt: ‘En gij zijt in Hem volmaakt, Die het Hoofd is van alle overheid en macht; In Welken gij ook besneden zijt met een besnijdenis, die zonder handen geschiedt, in de uittrekking van het lichaam der zonden des vleses, door de besnijdenis van Christus; Zijnde met Hem begraven in den doop, in welken gij ook met Hem opgewekt zijt door het geloof der werking Gods, Die Hem uit de doden opgewekt heeft, Col. 2:10-12.’ Het Lam van God moest komen, alle schaduwen wezen naar Hem en je weet hoe Hij stierf aan het kruis van Golgotha en net zoals er van het Pesach lam geen bot gebroken mocht worden zo werd ook van de Heere Jezus geen bot gebroken ‘Want deze dingen zijn geschied, opdat de Schrift vervuld worde: Geen been van Hem zal verbroken worden, Joh. 19:36.’”

 

“Zie je nu hoe heerlijk Gods beloften en schaduwen in vervulling zijn gegaan?” “Ja pap, ik weet niet of ik alles kan onthouden maar ik vind het wel heel mooi. Wat bijzonder dat wij nu mogen geloven dat het bloed van de Heere Jezus onze zonden afwast hé?” “Ja, dat is zo’n groot wonder, Hij stierf onschuldig in onze plaats. Dat is iets waar we ons iedere dag in mogen verwonderen en verblijden. Als we zien hoe diep de Heere Jezus moest lijden om onze zonden, dan werkt dat in ons een verlangen om voor Hem te leven. Hij bracht ons weer terug in gemeenschap met onze Vader in de hemel. Nu is ons oog gericht naar boven, wij weten dat Jezus leeft, Hij is opgevaren en is niet alleen ons Lam maar ook onze Hogepriester, Hij is Het Die voor ons bidt. Wij hoeven niet helemaal naar Jeruzalem om daar de Heere te aanbidden.” “Maar pap, u zei dat de Heere te midden van Zijn volk wilde wonen en daarom ook de tabernakel en de tempel had gegeven, hoe zit dat dan nu, nu er geen tempel meer is?” “Dat is een goede vraag. Ons oog is nu niet zozeer gericht op het aardse Jeruzalem maar op het hemelse, in de brief aan de Hebreeën lezen we: ‘Maar gij zijt gekomen tot den berg Sion, en de stad des levenden Gods, tot het hemelse Jeruzalem, en de vele duizenden der engelen; Tot de algemene vergadering en de Gemeente der eerstgeborenen, die in de hemelen opgeschreven zijn, en tot God, den Rechter over allen, en de geesten der volmaakte rechtvaardigen; En tot den Middelaar des nieuwen testaments, Jezus, en het bloed der besprenging, dat betere dingen spreekt dan Abel, Hebr. 12:22-24.’ Nu geen veroordeling maar leven in gemeenschap. In de brief aan de Galaten lezen we over het Jeruzalem dat boven is; ‘Maar Jeruzalem, dat boven is, dat is vrij, hetwelk is ons aller moeder, gal. 4:26.’ En weet je wat nu zo wonderlijk is, ook de schaduw van de tempel is vervuld, lees maar eens mee; 2 Kor. 6:14-18 ‘Trekt niet een ander juk aan met de ongelovigen; want wat mededeel heeft de gerechtigheid met de ongerechtigheid, en wat gemeenschap heeft het licht met de duisternis? En wat samenstemming heeft Christus met Belial, of wat deel heeft de gelovige met den ongelovige? Of wat samenvoeging heeft de tempel Gods met de afgoden? Want gij zijt de tempel des levenden Gods; gelijkerwijs God gezegd heeft: Ik zal in hen wonen, en Ik zal onder hen wandelen; en Ik zal hun God zijn, en zij zullen Mij een Volk zijn. Daarom gaat uit het midden van hen, en scheidt u af, zegt de Heere, en raakt niet aan hetgeen onrein is, en Ik zal ulieden aannemen. En Ik zal u tot een Vader zijn, en gij zult Mij tot zonen en dochteren zijn, zegt de Heere, de Almachtige.’ Hoor je dat, gij zijt de tempel des levenden Gods, dezelfde woorden die de Heere sprak over de aardse tabernakel past Paulus toe op de gelovige. De Heilige Geest is komen wonen in de Jood en in de heiden die in het geloof de Heere Jezus hebben omhelsd als hun Zaligmaker. Zij, ja wij zijn de tempel. En dat maakt nu net het verschil met de wereld. Door het bloed van Christus worden zondenslaven vrijgekocht, gereinigd, geheiligd en bewoond door de Heilige Geest. En Die Heilige Geest kan alleen wonen in een heilige tempel. Juist daarom roept de Bijbel ons op om te breken met de zonden en steeds te onderzoeken of wij geen verkeerde dingen in ons leven hebben toegelaten. Mijn jongen besef je dat je door het geloof een kind ja het eigendom van God de Vader bent, juist daarom is het goed om stil te staan bij Pesach, en de betekenis van de ongezuurde broden. Niet in Jeruzalem, niet door het slachten van een lam, maar door te zien op Het Lam, dat geslacht is voor onze zonden, om te beseffen wat het Hem gekost heeft en door onszelf te onderzoeken of we geen zuurdesem van zonden in ons leven hebben toegelaten. Dan is Pesach een feest van verootmoediging, verwondering, opruiming en nieuwe toewijding, want Hij is het zo waard. Paulus riep de gemeente van Korinthe op: ‘Uw roem is niet goed. Weet gij niet, dat een weinig zuurdesem het gehele deeg zuur maakt? Zuivert dan den ouden zuurdesem uit, opdat gij een nieuw deeg zijn moogt, gelijk gij ongezuurd zijt. Want ook ons Pascha is voor ons geslacht, namelijk Christus. Zo dan laat ons feest houden, niet in den ouden zuurdesem, noch in den zuurdesem der kwaadheid en der boosheid, maar in de ongezuurde broden der oprechtheid en der waarheid, 1 Kor. 5.’ Het is goed om ons hart en huis te onderzoeken of er niets is, dat net als zuurdesem, het hele deeg verzuurd. Zoals zuurdeeg en gist het hele deeg doortrekken zo doortrekt een zonde ons hele leven.

 

“Pap” ”ja jongen” “Wat zijn wij rijk hè?” “Ja jongen, daar wordt je stil van, ieder moment van de dag te mogen naderen tot Hem Die ons heeft liefgehad en gekocht met Zijn dierbaar bloed, iedere dag te wandelen in gemeenschap met onze hemelse Vader. Wij zijn op aarde, maar; ‘onze wandel is in de hemelen, waaruit wij ook den Zaligmaker verwachten, namelijk den Heere Jezus Christus, Filip. 3:20.’ Het is bedtijd, je hebt weer veel om over na te denken. Ik lees openbaring 5 vers 11 en 12: ‘En ik zag, en ik hoorde een stem veler engelen rondom den troon, en de dieren, en de ouderlingen; en hun getal was tien duizendmaal tien duizenden, en duizendmaal duizenden; Zeggende met een grote stem: Het Lam, Dat geslacht is, is waardig te ontvangen de kracht, en rijkdom, en wijsheid, en sterkte, en eer, en heerlijkheid, en dankzegging.’ Amen, ja Amen.

 

Op het Godslam rust mijn ziele,

vol bewond'ring bidt zij aan;

alle, alle mijne zonden

heeft zijn zoenbloed weggedaan.

 

Zalig rustoord, - zoete vrede

vult mijn hart en blijft het bij.

Hij, in wie God zelf kan rusten,

is het rustpunt ook voor mij.

 

Ruste vond hier mijn geweten;

want zijn bloed - o heilfontein -

heeft van alle mijne zonden

mij gewassen blank en rein.

 

Met de vrede Gods in 't harte

ga ik hier door smart en strijd;

eeuw'ge rust vind ik daarboven

in des Godslams heerlijkheid.

 

Daar zal Hem mijn oog aanschouwen,

Hem, Wiens liefde mij verkwikt;

Hem, Wiens trouw mij hier geleidde,

Wiens gena mij heil beschikt

 

Daar bezingen Zijne liefde

duurgekochten door zijn bloed;

daar is Sions zaal'ge ruste,

't eind'loos loflied, 't eeuwig goed.

Wilco Vos Veenendaal 19-04-2016