M28 Denk aan Achan

11-07-2014 08:47

'Maar de kinderen Israels overtraden door overtreding met het verbannene; want Achan, de zoon van Charmi, den zoon van Zabdi, den zoon van Zerah, uit den stam van Juda, nam van het verbannene. Toen ontstak de toorn des HEEREN tegen de kinderen Israels, Joz. 7:1.'

 

In Lukas 17:32 lezen wij: 'Gedenkt aan de vrouw van Lot.' De vrouw van Lot, samen met haar man en twee dochters geroepen en getrokken uit het zondige Sodom, is door haar ongehoorzaamheid verandert in een zoutpilaar. Zij had haar bezit en haar eigen inzicht liever dan de genade Gods en stierf in haar zonde. In Handelingen 5 vinden wij de geschiedenis van Ananias en zijn vrouw Saffira. Zij verkochten van hun bezit en deden voorkomen alsof zij de hele opbrengst aan de Heere gaven. Zowel Ananias als Saffira sterven vanwege deze leugenachtige zaak. Wat een waarschuwing, wij zien aan wat voor ogen is, God ziet het hart aan. 'Weet gij niet, dat wien gij uzelven stelt tot dienstknechten ter gehoorzaamheid, gij dienstknechten zijt desgenen, dien gij gehoorzaamt, of der zonde tot den dood, of der gehoorzaamheid tot gerechtigheid? Rom. 6:16.' Zowel de vrouw van Lot, als Ananias en Saffira, waren meer liefhebbers van zichzelf dan van God, zij dienden de ongehoorzaamheid en stierven in hun zonden.

 

Hoe is ons hart? Is ons hart een gesloten boek of schijnt Gods licht op alle bladzijden? Hebben wij alle zonden voor God beleden of is er nog een verborgen zonde die in het licht gebracht moet worden? Uit de geschiedenis van Achan leren wij hoe noodzakelijk het is om te luisteren naar Gods bevel.

 

Op wonderlijke wijze is het machtige volk Israël uit Egypte geleid. Onder Gods leiding ging het voorwaarts, dwars door de Rode zee en dwars door de woestijn op weg naar het beloofde land. Gods zegen was iedere dag weer nieuw en dat ondanks de zonden en de opstand van het volk waarvan geschreven staat: 'Veertig jaar heb Ik verdriet gehad aan dit geslacht, en heb gezegd: Zij zijn een volk, dwalende van hart; en zij kennen Mijn wegen niet, Ps. 95:10.' Als al het ongehoorzame volk gestorven is, is voor hun kinderen de tijd aangebroken om het land Kanaän in bezit te nemen. Op wonderlijke wijze zijn zij getuige hoe de Heere voor hen strijd. Zes dagen lang maakt het volk een wandeling om de geweldige stad Jericho, ze zien de dikke muren, de massieve deuren en de wachters op de muren. Wat zal er door de inwoners van Jericho heen zijn gegaan, daar liep dat machtige volk Israël, waar zij al zo veel over gehoord hadden. Voorop de strijdbare helden, dan de priesters met de ark en daarachter de rest van het grote volk. Dat alles in volkomen stilte, geen wapengekletter, zelfs een woord werd niet gehoord. Op de zevende dag trekken zij zeven maal rond de stad en dan bij het geluid van de bazuinen, juicht het volk en valt de stadsmuur. God Zelf strijd en geeft de vijand in de hand van het Zijn volk. Wat een troost en wat een bemoediging om te staan in het geloof, niet te zien op de muren van tegenstand, niet mismoedig te worden als we gesloten deuren tegenkomen maar op de Heere te zien in Wie wij meer dan overwinnaars zijn. Net als het volk Israël te zien op de ark als type van Christus. Zo in de weg van gehoorzaamheid zullen wij de vijand overwinnen.

 

De Heere had belooft de stad in handen van Israël te geven. 'Zie, Ik heb Jericho met haar koning en strijdbare helden in uw hand gegeven, Joz. 6:2.' Tegelijk gaf Hij de opdracht om alles wat in de stad was te doden, behalve Rachab de hoer met haar familie, zij mocht blijven leven omdat zij geloofde in de God van Israël, haar leven was geborgen in Gods handen. Het zilver, het goud en de koperen en ijzeren vaten moesten worden afgezonderd voor de Heere, de rest werd gedood en verbrand.

 

Het volk werd uitdrukkelijk bevolen niets te nemen van het verbannene: 'Alleenlijk dat gijlieden u wacht van het verbannene, opdat gij u misschien niet verbant, mits nemende van het verbannene, en het leger van Israël niet stelt tot een ban, noch datzelve beroert, Joz. 6:18.' Het grote Jericho lag in puin, overwonnen door hen die meer dan overwinnaars waren in hun God.

 

Toch zien wij daar midden in Jericho een man lopen, het is Achan, één van de Israëlieten. Hij weet wat de Heere bevolen had en toch, hij kan het niet over zijn hart verkrijgen om niet iets te nemen van de overvloed die daar zo voor het oprapen ligt. Hij ziet een prachtige jas, stukken zilver en goud, neemt het mee en begraaft het in zijn tent. Wie maakt zich druk om die ene jas terwijl de rest verbrand wordt, wie bekommert zich om die paar stukken zilver en goud terwijl er bergen ingezameld worden voor de Heere? Zo redeneert de op zichzelf gerichte mens, zich niet druk makend om het gebod van God.

 

Ondertussen is het volk in een blijde stemming, wat een geweldige overwinning mochten zij behalen, zij zullen gedacht hebben; 'Zo God voor ons is, wie zal dan tegen ons zijn?' Jozua stuurt mannen uit om het stadje Ai te bespieden. Zij komen terug en geven aan dat het niet nodig is om met het hele volk op te trekken, twee a drieduizend man moet genoeg zijn. Daar gaan ze, moedig en vast overtuigd dat zij ook nu weer de overwinning zullen behalen. Wat een schrik als zij bemerken dat het volk van Ai sterker is dan zij. Als zij moeten vluchten en terugkomen bij Jozua met de mededeling dat er 36 van hen gesneuveld zijn. 'Toen versmolt het hart des volks en het werd tot water, Joz. 7:5b.' Hoe is dit mogelijk? Nog maar net hebben zij de overwinning over Jericho behaalt en dan nu zo'n verschrikkelijke nederlaag. Waar is nu God op Wie zij vertrouwen? Wat is er aan de hand? God is vertoornd op de kinderen Israëls. 'Maar de kinderen Israels overtraden door overtreding met het verbannene; want Achan, de zoon van Charmi, den zoon van Zabdi, den zoon van Zerah, uit den stam van Juda, nam van het verbannene. Toen ontstak de toorn des HEEREN tegen de kinderen Israels, Joz. 7:1.'

 

Het hele volk gaat hier gebukt onder de zonde van deze Achan, een zaaier van verwarring, zoals zijn naam betekent. Achan, de ongehoorzame aan Gods bevel en nu de oorzaak van de dood van 36 man en de grote onrust onder het volk. Wat zal er door hem heen gegaan zijn, bij het horen van deze boodschap? Jozua verscheurt zijn kleren en valt samen met de oudsten van Israël neer voor de ark des HEEREN, terwijl zij stof op hun hoofd werpen. Grote droefheid en verbaasdheid heeft hun hart vervuld. De droefheid en deze plotselinge tegenslag hebben Jozua verblind in zijn oordeel. Hij vraagt de Heere waarom Hij hen ooit door de Jordaan heeft doen gaan, is het om hen in de hand der Amorieten te geven en te verderven? Jozua ziet niet in dat de oorzaak bij het volk ligt. Maar dan in zijn gebed roept hij het als het ware uit, Heere wat zal er gebeuren als de Kanaänieten horen dat wij gevlucht zijn, zij zullen ons omsingelen en onze naam uitroeien van de aarde, 'wat zult Gij dan Uw groten Naam doen? Joz. 7:9.' Wat een les, Jozua zoekt hier de eer van God en dan is daar Gods antwoord. 'Sta op, waarom ligt gij dus neder op uw aangezicht? Joz. 7:10.' De Heere vertelt Jozua dat Israël gezondigd heeft, zij hebben het verbond overtreden, genomen van het verbannene, gestolen en gelogen. 'Daarom zullen de kinderen Israels niet kunnen bestaan voor het aangezicht hunner vijanden; zij zullen den nek voor het aangezicht hunner vijanden keren; want zij zijn in den ban. Ik zal voortaan niet meer met ulieden zijn, tenzij gij den ban uit het midden van ulieden verdelgt, Joz. 7:12.' Jozua krijgt opdracht om het volk bij elkaar te roepen en door het lot de schuldige aan te wijzen. 'En het zal geschieden, die geraakt zal worden met den ban, die zal met vuur verbrand worden, hij en al wat hij heeft; omdat hij het verbond des HEEREN overtreden heeft, en omdat hij dwaasheid in Israel gedaan heeft, Joz. 7:15.'

 

Daar zien wij Achan staan te midden van zijn volk. Het lot wordt geworpen en zijn stam, de stam van Juda wordt aangewezen. Achan, zie je dan nog niet dat jij de schuldige bent? Kom buig je neer voor de Heere en belijd je zonden. Maar nee, Achan blijft stil. Dan wordt de familie Zarchi aangewezen, dan Zabdi en dan moet het hele huisgezin, man voor man, aankomen. O Achan, ben je dan zo verhard, heb je geen geweten dat tegen je getuigt? Hoeveel tijd heb je nu al voorbij laten gaan? En dan, dan valt het lot op Achan. Daar klinkt de stem van Jozua: 'Mijn zoon! Geef toch den HEERE, den God van Israel, de eer, en doe voor Hem belijdenis; en geef mij toch te kennen, wat gij gedaan hebt, verberg het voor mij niet, Joz. 7:19.' Dan horen we het getuigenis van Achan: 'Voorwaar, ik heb tegen den HEERE, den God Israels, gezondigd, en heb alzo en alzo gedaan. Want ik zag onder den roof een schoon sierlijk Babylonisch overkleed, en tweehonderd sikkelen zilvers, en een gouden tong, welker gewicht was vijftig sikkelen; en ik kreeg lust daartoe, en ik nam ze; en zie, zij zijn verborgen in de aarde, in het midden mijner tent, en het zilver daaronder, Joz. 7:20,21.'

 

De buit wordt gehaald en dan wordt Achan met zijn gestolen goederen, zijn zonen, dochters, ossen en ezels, zijn vee en tent, ja alles wat hij had naar het dal van Achor gevoerd. 'En Jozua zeide: Hoe hebt gij ons beroerd? De HEERE zal u beroeren te dezen dage! En gans Israel stenigde hem met stenen, en zij verbrandden hen met vuur, en zij overwierpen hen met stenen, Joz. 7:25.' Hoe verschrikkelijk loopt het af met hen die opstaan tegen God. 'En zij richtten over hem een groten steenhoop, zijnde tot op dezen dag. Alzo keerde zich de HEERE van de hittigheid Zijns toorns. Daarom noemde men den naam dier plaats het dal van Achor, tot dezen dag toe, Joz. 7:26.'

 

Zodra de ban uit het leger is weggedaan is ook de toorn van God voorbij. God laat niet met Zich spotten. Dit is God, ja onze God, de God van liefde, barmhartigheid, genade, rechtvaardigheid en toorn. Hij is genadig allen die Hem vrezen en straft allen die Hem ongehoorzaam zijn.

 

Vrienden, aan wie zijn wij gehoorzaam? Volgen wij de begeerte van ons vlees of volgen wij God en Zijn Woord? Op het eerste volgt de dood op het tweede, het eeuwige leven. Achan zag, begeerde, nam van het verbanenne en daarna van het geheiligde. We zien hoe zijn hart verharde en verhard bleef totdat het moment van het oordeel gekomen was. U en ik, wij hebben gezondigd en gedaan dat kwaad is in Gods ogen, vandaag is het nog de tijd van genade, als wij nu onze zonden belijden, dan is God getrouw en rechtvaardig dat Hij ze vergeeft. Als wij doorgaan in onze verharding dan zullen wij doorgaan in de zonde en straks sterven in de zonde. Als dan het uur van het oordeel komt dan zullen ook wij, net als Achan eerlijk alles belijden maar dan is er geen genade meer. 'Want wij allen moeten geopenbaard worden voor den rechterstoel van Christus, opdat een iegelijk wegdrage hetgeen door het lichaam geschiedt, naar dat hij gedaan heeft, hetzij goed, hetzij kwaad, 2 Kor. 5:10.'

 

Kom, laten wij ons hart onderzoeken, het openleggen voor God en het brengen voor Zijn genadetroon. Zie de zwartheid van uw bestaan en zie op Gods liefde geopenbaard in het oordelen van Zijn Zoon in de plaats van zondaren. Bedenk dat allen die hun leven niet hebben gevonden in het offer van Jezus, straks de toorn zelf moeten dragen. Wie zal dan bestaan voor het aangezicht van God? Wat een genade om te mogen geloven dat Christus onze gerechtigheid is. Dat Hij gekomen is om onze zonden te verzoenen. Voor allen die in Hem rusten, Hem kennen als hun Zaligmaker en Hem erkennen als Hun Heere en Meester is er geen veroordeling meer. Laten wij leren uit de geschiedenis van Achan. Waakt en bid, vermaant, bemoedigt en vertroost opdat ook in ons midden geen Achans gevonden worden. Is er een vloek onder ons, roep tot de Heere en vraag wat Hij met Zijn Naam doen zal? Heere bevrijd ons van de Achans en keer uw toorn van ons af, opdat Uw Naam geprezen wordt. Amen.

 

Psalm 130 vers 2.

 

Zo Gij in 't recht wilt treden,

O HEER, en gadeslaan

Onz' ongerechtigheden,

Ach, wie zal dan bestaan?

Maar neen, daar is vergeving

Altijd bij U geweest;

Dies wordt Gij, HEER, met beving,

Recht kinderlijk gevreesd.

 

Wilco Vos 08-07-2014 Veenendaal