M32 Een brief aan de gemeente van Sardis

12-08-2016 08:51

Lang geleden lagen er langs de handelsroute in Klein Azië zeven gemeenten, die ontstaan waren door de prediking van het Evangelie. Daar in het huidige Turkije hadden mensen rust en vrede gevonden in het offerbloed van Jezus Christus, de gekruiste, gestorven en opgestane Heiland. Door het geloof waren zij ingelijfd in de wereldwijde gemeente van God, zij waren levende leden van het lichaam van Christus waarvan Hijzelf het hoofd is. Hoe heerlijk en puur is Gods gemeente in de begintijd geweest. Dagelijks waren zij bijeen, zij braken brood ter gedachtenis aan dat wat Christus voor hen gedaan had, volharden in de gebeden en onderzochten samen het Woord. Maar, helaas, men zegt weleens; “Als God een huis bouwt, dan zet de duivel zijn kapel ernaast.” Als het daar nu maar bij bleef, dan zou het nog niet zo erg zijn, dan zou de deur van het huis misschien de onrust van de duivelskapel nog buiten kunnen houden. Maar nee, de duivel, de diabolos of chaosmaker heeft vele listen en vurige pijlen op zijn boog. Hij kan het niet dulden dat er een gemeente Gods bestaat en doet er alles aan om chaos te maken daar waar vrede heerst. Al spoedig werd het pure lichaam van Gods gemeente besmet door de invloed van de hypocrieten die zich voordeden als levende leden terwijl zij nooit deel hadden gekregen aan het lichaam van Christus. Zij misten de liefde tot God en de werken die zij voortbrachten waren niets anders dan werken uit eigen kracht, de woorden die zij spraken klonken mooi maar waren vermengd met leugen. Met grote ijver heeft satan gestreden tegen het leven in de eerste christengemeenten. Nu zo’n tweeduizend jaar later mogen wij ons wel bezinnen en onszelf afvragen hoe het nu gesteld is in de gemeenten. Het Woord leert ons dat de gemeente bestaat uit levende leden (1 Kor. 12, Ef. 4). Met andere woorden er is een wereldwijde gemeente die bestaat uit mensen die mogen weten en geloven dat al hun zonden om Christus wil vergeven zijn. Zij hebben geleerd dat hun zonden scheiding maakte tussen God en hun ziel en dat zij door het geloof in de Heere Jezus weer teruggebracht zijn in gemeenschap met God de Vader. Zij weten dat Christus smartelijk lijden moest om hun zonden en dit vervult hen met verootmoediging, blijdschap en een liefdevolle heilige ijver om te leven voor God in een haat tegen de zonden. De leden van dit lichaam hebben elkaar nodig en zoeken elkaar op in een gemeentelijke samenkomst. Daar wordt het Woord van God geopend, wordt gezongen, gebeden, en Gods Naam geprezen.

 

Nu mogen wij onszelf de vraag stellen of wij geloven dat het bloed van Christus ons reinigt van al onze zonden, ja dat wij eeuwig leven hebben omdat Christus voor ons stierf. Als dat zo is, dan zijn wij leden van Zijn lichaam en leden van Zijn gemeente. Dan mogen wij ons voegen bij de samenkomst waar Gods kinderen elkaar bemoedigen, vertroosten, opscherpen, vermanen, met elkaar bidden, zingen en laten onderwijzen door het Woord van God. Deze gemeente wordt opgescherpt om te waken voor de valse leraren, voor de wolven in schaapskleren en de hypocrieten die zullen binnensluipen. Lieve vrienden, als u gered bent dan mag ik u een broeder en een zuster in Christus noemen en dan vraag ik u, is het ook uw zorg dat de plaats waar u samenkomt een plaats is naar Gods Woord? Bidt de Heere om de Geest van onderscheid en laat u door Hem leiden. Pas op voor de hypocriet, de mondbelijder en de gemeenschappen waar uw ziel niet gevoed wordt in de genade en de kennis van onze Heere Jezus Christus.

 

We zagen in de voorgaande brieven aan de gemeenten van Klein Azië dat de Heere Jezus in Zijn openbaring aan Johannes ernstig heeft gewaarschuwd tegen de ontsporingen die waren ontstaan in de plaatselijke gemeenten. Efeze werd geroemd om hun werken, hun inspanning en volharding en om hun weerstaan van de leugenaars. Zij deden het om de Naam van hun Heiland en toch helaas, zij hadden hun eerste liefde verlaten. Hoe verdrietig als er meer ijver als liefde is, als er wel werken zijn maar deze niet voortkomen uit een liefde tot onze God. Smyrna werd opgeroepen om getrouw te blijven ondanks de verdrukking die over hen kwam, de Heere Jezus kende hun werken, hun verdrukking en hun armoede en bemoedigde hen door hen de kroon van het leven voor te houden. In Pergamus bevond zich de gemeente te midden van veel afgoderij en ook in de gemeente waren ze binnengeslopen die Gods kinderen verleidden tot afval van trouw aan het Woord van God. Toch waren er onder hen die met hun werken openbaar kwamen als getrouwe kinderen Gods, zij bleven staan ook als de dood hen bedreigde.

 

In Thyatira vonden we een gemeente die uitblonk in werken maar tegelijk was er onder hen een valse profetes die zij lieten leren. Hoe verschrikkelijk zou het aflopen als zij zich zouden laten verleiden door haar valse leer. Moeder en dochters zouden uiteindelijk omkomen als er geen terugkeer zou plaatsvinden tot de levende God. De Heere Jezus roept op tot overwinning en het tot het einde toe vast houden van Zijn werken.

 

Vandaag geven de brieven aan deze gemeenten ons nog steeds een ernstige boodschap. Wij mogen onszelf onderzoeken of wij zijn gebleven bij de eenvoud van Gods Woord. Kunnen wij bij alles wat wij doen en onderwijzen terugvallen op het Woord van God. Is de Bijbel ons uitgangspunt ook al gaat dat tegen de mening van mensen in? Ik moet denken aan mannen die hebben gestaan voor de waarheid die zij ontdekten in het Woord. Zij durfden te staan voor deze waarheid al ging dit in tegen de beleving en mening van hun omgeving. Ik denk aan een Luther, die zag hoe de leer van Bíleam en Izebel heel het kerkelijk denken had vergiftigd. Hij zag maar al te goed dat Rome de hoer van Babylon was en durfde dit openlijk te zeggen en zich daartegen te keren. Vandaag is Rome bezig haar valse agenda punten af te werken door de breuk die door Gods genade is ontstaan weer te dichten. De dochters zullen Rome, hun moeder der hoererij omhelzen. Voor velen is dit een onbekende zaak en velen willen er niet van horen. Maar wee hen die hoereren met Babylon. Systemen, doctrines, menselijke ervaringen, tradities en gewoonten zijn voor velen heiliger geworden dan de eenvoud van Gods Woord. ‘Die oren heeft, die hore wat de Geest tot de gemeenten zegt.’     

 

Als Evangelist zou ik liever alleen maar spreken over de liefde van Christus, want die dringt mij om de wereld bekend te maken met de boodschap van redding en genade. Toch drukt de last van de grote afval mij (2 Thess. 2:3) en weet ik mij genoodzaakt eerlijk te zijn in wat ik doe, schrijf en zeg. Zouden wij eerlijk zijn als wij u de liefde van Christus verkondigen en achterwege laten hoe heilig, rechtvaardig en scherp het tweesnijdend zwaard is dat uit Zijn mond gaat? Als de waarschuwing tot de gemeenten kwam, opdat zij zouden leven, dan mogen ook wij vandaag ernstig nadenken over de inhoud van deze brieven. Niet tot afbreuk maar tot opbouw.

 

‘En schrijf aan den engel der Gemeente, die te Sardis is: Dit zegt, Die de zeven geesten Gods heeft, en de zeven sterren: Ik weet uw werken, dat gij den naam hebt, dat gij leeft, en gij zijt dood, Openb. 3:1.’

De engel of oudste van de gemeente te Sardis ontvangt een brief van de Schepper van hemel en aarde, Hij die harten en nieren proeft en weet wat er diep vanbinnen in het hart van de mensen leeft. Zijn oordeel is een rechtvaardig oordeel en wie zal dat tegenspreken? “Sardis” zo spreekt Hij, “Ik ken uw werken, u hebt de naam dat u leeft, maar u bent dood.” Wat een scherp oordeel, wat een ontnuchtering. “Sardis, jullie ijver, jullie vorm en jullie belijdenis, het is Mij alles bekend. Anderen noemen jullie een levende gemeente maar Ik, Die harten en nieren proef, Ik zeg u; u bent dood.” Wat een boodschap. Stel u voor, u bent ijverig bezig in de dienst van God en ineens is het de Heere Jezus Die tegen u zegt dat het alles niets meer dan een vorm is. Denk aan Paulus, hoe ijverig was hij in zijn dienst voor God. Hij meende de Heere een dienst te doen door allen die in Jezus geloofden te vervolgen. Hij wist niet dat hij in al zijn godsdienstige ijver een vijand van God en genade was. Paulus meende zijn houvast gevonden te hebben in de wet en een strenge naleving van de voorvaderlijke overleveringen en besefte niet dat al zijn hoop en al zijn leven alleen te vinden was in Christus Jezus de gekruiste en opgestane Levensvorst. Wat een genade en wat een verandering bracht de liefde van Christus in Zijn hart en leven. O Sardis, jullie zijn begonnen met de Geest maar het is haast alles vlees geworden. Hoor wat de Heere Jezus zegt: “’Zijt wakende, en versterk het overige, dat sterven zou; want Ik heb uw werken niet vol gevonden voor God, Openb. 3:2.’ Sardis, toen Kores II in 546 v. Chr. en Antiochus III in 214 v. Chr. kwamen, sliepen jullie wachters en werden jullie geplunderd, leer hiervan en wees toch waakzaam. Laat deze boodschap u wakker schudden, versterk hen die verzwakt zijn en ten dode toe wankelen.” Tot al de voorgaande gemeenten werd positief gesproken over hun werken maar van Sardis staat geschreven dat hun werken niet vol werden bevonden voor God. Anderen kwamen misschien wel onder de indruk van de werken van Sardis, zij hadden immers de naam dat zij leefden. Maar in de ogen van de Heere Jezus was alles dood.

 

Onze werken kunnen verschillend zijn, misschien zeer conservatief, behoudend en vasthoudend aan de aloude waarheid, misschien wel zeer vooruitstrevend, naar buiten gekeerd, vol evangelisatiedrang. Ingetogen of opgewekt, het is niet zo belangrijk hoe mensen erover oordelen maar laten wij onszelf afvragen of onze werken vol bevonden worden voor God. Wat is het doel van datgene wat we doen? Is het in opdracht van God? Is het tot eer van God? Mag het ons alles kosten? Zou Jezus het ook zo doen?

 

‘Gedenk dan, hoe gij het ontvangen en gehoord hebt, en bewaar het, en bekeer u. Indien gij dan niet waakt, zo zal Ik over u komen als een dief, en gij zult niet weten, op wat ure Ik over u komen zal, Openb. 3:3.’ “Sardis, u weet toch hoe het Evangelie tot u gekomen is. “Geloof in de Heere Jezus Christus en gij zult zalig worden.” Het begon met geloof en bekering en de werken die jullie deden waren uit liefde en in het geloof. Als gelovigen hadden jullie het verlangen om navolgers van Christus te zijn. God lief te hebben boven alles en de naasten als uzelf. Dat ging vanzelf omdat de liefde Gods het hart vervulde. Nu, Sardis, daar moet u naar terug. De Heere Jezus roept u op om u te bekeren.” Dan klinkt de ernstige waarschuwing. ‘Indien gij dan niet waakt, zo zal Ik over u komen als een dief, en gij zult niet weten, op wat ure Ik over u komen zal.’ In vroegere tijden waren het de wachters die op de muren de wacht moesten houden. Nu kwam er op het alleronverwachts een controleur om te kijken of de wachters hun werk goed deden, zo’n controleur noemde men een dief. En wee die wachter die slapend gevonden werd. Net zoals het voor de wakende wachter geen bezwaar was dat de dief kwam zo zal het voor de wakende gelovige niet erg zijn als Jezus komt, nee lieve vrienden, de komst van Jezus zal het verlangen van de gelovige vervullen. Maar wee hen die slapen, hoe verschrikkelijk zal het zijn om dan te vallen in de handen van de levende God. Eens sliepen de wachters op de muren van Sardis en zo kon de vijand hen plunderen. In deze brief gebruikt de Heere Jezus dat als voorbeeld en roept hen op tot waakzaamheid. Het beeld van de dief kennen we ook in de stelende persoon die komt als alles in diepe rust is. ‘Waakt dan; want gij weet niet, in welke ure uw Heere komen zal. Maar weet dit, dat zo de heer des huizes geweten had, in welke nachtwake de dief komen zou, hij zou gewaakt hebben, en zou zijn huis niet hebben laten doorgraven. Daarom, zijt ook gij bereid; want in welke ure gij het niet meent, zal de Zoon des mensen komen, Matth. 24:42-44.’ Petrus roept ons op met de woorden: ‘En het einde aller dingen is nabij; zijt dan nuchter, en waakt in de gebeden, 1 Petr. 4:7.’ Gelovige broeders en zusters, het beeld van de dief hoeft ons niet te verschrikken. Als de liefde van de Heere Jezus ons hart en leven vervuld dan zien wij naar Hem uit. Dan is het ons verlangen om te wandelen in de werken die Hij voor ons bereid heeft en als navolgers van Hem waken wij ervoor om verstrikt te raken in de verleidingen of zorgvuldigheden van dit leven. We laten ons niet misleiden door de leugenprofeten die “vrede, vrede en geen gevaar” roepen want wij weten dat Gods oordelen voor de deur staan. ‘Want gij weet zelven zeer wel, dat de dag des Heeren alzo zal komen, gelijk een dief in den nacht. Maar gij, broeders, gij zijt niet in duisternis, dat u die dag als een dief zou bevangen. Gij zijt allen kinderen des lichts, en kinderen des daags; wij zijn niet des nachts, noch der duisternis. Zo laat ons dan niet slapen, gelijk als de anderen, maar laat ons waken, en nuchteren zijn, 1 Thess. 5:2-6.’

 

De boodschap aan Sardis raakt ons allemaal en hoewel het in Sardis erg duister was geworden, toch waren er ook daar nog die vasthielden aan het Woord van God en hun leven daarnaar richten. ’Doch gij hebt enige weinige namen ook te Sardis, die hun klederen niet bevlekt hebben, en zij zullen met Mij wandelen in witte klederen, overmits zij het waardig zijn, Openb. 3:4.’ Elia dacht alleen over te zijn gebleven maar met hem waren er nog zevenduizend die de knie niet voor Baäl hadden gebogen (1 Kon. 19:18). Zo ook in Sardis, ja zolang de zon en maan er zullen zijn zullen er mensen zijn die tot geloof komen en daarin volharden in de kracht van onze God. Denk aan wat Johannes kreeg te zien: ‘Na dezen zag ik, en ziet, een grote schare, die niemand tellen kon, uit alle natie, en geslachten, en volken, en talen, staande voor den troon, en voor het Lam, bekleed zijnde met lange witte klederen, en palm takken waren in hun handen, Openb. 7:9.’ Wat een vreugde zal dat zijn, voor het Lam te mogen staan gekleed met lange witte klederen. Ik geloof dat iedere zondaar die daar zal binnengaan het uit zal roepen: “Het is door U, door U alleen om het eeuwig welbehagen.” Wat een genade dat God de Vader Zijn Zoon gegeven heeft opdat wij zouden leven in Hem. Wat een genade dat die Waarheid voor ons Waarheid is geworden. Hoe Heerlijk is Zijn Naam! Die vrede en die vreugde vervult het hart en doet ons voortgaan en in het geloof zullen wij overwinnen. ’Die overwint, die zal bekleed worden met witte klederen; en Ik zal zijn naam geenszins uitdoen uit het boek des levens, en Ik zal zijn naam belijden voor Mijn Vader en voor Zijn engelen. Die oren heeft, die hore wat de Geest tot de Gemeenten zegt, Openb. 3:5,6.’                                                                                                              

 

Wilco Vos Veenendaal 01-08-2016