M34 Het onze Vader deel 7 (Vergeef ons onze schulden gelijk ook wij vergeven onze schuldenaren)

20-08-2015 16:22

‘En vergeef ons onze schulden, gelijk ook wij vergeven onzen schuldenaren, Matth. 6:12.’

 

“Onze Vader, Die in de hemelen zijt, vergeef ons onze schulden, gelijk ook wij vergeven onze schuldenaren.” Een bijzonder gebed met een bijzondere belijdenis. “Vader U ziet hoe wij onze schuldenaren vergeven, vergeef ook ons onze schulden.” Zonder de wetenschap dat er een genadig en barmhartig God is Die ons onze schulden vergeeft, is het onmogelijk om dit te bidden en aan de voorwaarden te voldoen. Want, ‘.. zonder geloof is het onmogelijk Gode te behagen. Want die tot God komt, moet geloven, dat Hij is, en een Beloner is dergenen, die Hem zoeken, Hebr. 11:6.’ In de eerste plaats is het daarom noodzakelijk te mogen rusten in Gods genade. Het Woord van God spreekt tot ons: ‘Komt dan, en laat ons samen rechten, zegt de HEERE; al waren uw zonden als scharlaken, zij zullen wit worden als sneeuw, al waren zij rood als karmozijn, zij zullen worden als witte wol, Jes. 1:18.’ Nietige met schuld en zonden beladen mensen, worden opgeroepen om tot God te komen, Hij belooft vergeving van schuld. Dat alles, niet om iets in de mens, maar op grond van het alles reinigende bloed van de Heere Jezus Christus. ‘Zo zij u dan bekend, mannen broeders, dat door Dezen u vergeving der zonden verkondigd wordt, En dat van alles, waarvan gij niet kondet gerechtvaardigd worden door de wet van Mozes, door Dezen een iegelijk, die gelooft, gerechtvaardigd wordt, Hand. 13:38,39.’ Door het zien op Jezus, ja het gelovig aanvaarden van de vergeving die God ons in Zijn genade schenkt, ontvangen wij vergeving van al onze zonden. Het is in en door Jezus alleen. ‘In Welken wij hebben de verlossing door Zijn bloed, namelijk de vergeving der misdaden, naar den rijkdom Zijner genade, Ef. 1:7.’

 

Lieve vrienden, als u dit niet gelooft en hierin niet wil of durft te rusten, dan bent u onuitsprekelijk ongelukkig. U leeft nog buiten Gods genadige gemeenschap en u leeft voor eigen rekening. Dat betekent dat als u sterft er geen enkele hoop en verwachting meer is, er is namelijk buiten het bloed van de Heere Jezus niets anders dan een helse werkelijkheid van verloren gaan om eigen schuld. Zoek dan het leven buiten uzelf, neem de toevlucht tot God, belijdt uw zonden en geef uzelf gelovig over in Zijn hand, rustend in het werk dat Christus heeft volbracht. Hij stierf in de plaats van de zondaar opdat de zondaar eeuwig leven zou. ‘Die in den Zoon gelooft, die heeft het eeuwige leven; maar die den Zoon ongehoorzaam is, die zal het leven niet zien, maar de toorn Gods blijft op hem, Joh. 3:36.’Hij heeft gezegd: ‘Voorwaar, voorwaar zeg Ik u: Die Mijn woord hoort, en gelooft Hem, Die Mij gezonden heeft, die heeft het eeuwige leven, en komt niet in de verdoemenis, maar is uit den dood overgegaan in het leven, Joh. 5:34.’

 

Broeders en zusters, u die van de dood bent overgegaan in het leven, wat is het noodzakelijk om te volharden in het geloof, door te zien op dat wat Hij deed en Hem gehoorzaam te volgen. Wij bidden: ‘En vergeef ons onze zonden; want ook wij vergeven aan een iegelijk, die ons schuldig is, Luk. 11:4.’ Hieruit blijkt dat wij dagelijks in afhankelijkheid van Gods genade de toevlucht moeten nemen tot de Bron van ons leven, wetend dat het alleen Zijn vergeving is waardoor wij straks de hemelse heerlijkheid zullen beërven. Zolang wij leven, hebben wij te strijden tegen de zonde, we leven in een wereld die verleidt maar tegelijk ook vijandig is tegenover God en allen die Hem liefhebben. Satan is er op uit om het getuigenis van Gods koninkrijk te vernietigen en dat doet hij o.a. door verleiding en vervolging.

 

Wie kan er vrijmoedig getuigen van Gods genade als er een zonde is die ons terneerdrukt? Wie kan getuigen van Gods bevrijdende genade als er een verslaving is die alle vrijmoedigheid ontneemt? Wie kan getuigen van de vruchten van de Geest als boosheid, onrust, ongeduld en opstandigheid steeds opnieuw de kop opsteken? Broeders en zusters, wie van ons kan leven in eigen kracht? Hoe hebben wij het nodig om te roepen: “O Vader, vergeef ons onze schulden.” Want hoewel de gelovige niet meer in de zonde kan leven en een diepe haat en afkeer heeft tegen alles wat ingaat tegen Gods Woord, kan zij toch niet zeggen zonder zonden te zijn. ‘Indien wij zeggen, dat wij geen zonde hebben, zo verleiden wij ons zelven, en de waarheid is in ons niet, 1 Joh. 1:8.’ De zonde moet ons niet verlammen maar uitdrijven naar de Bron van ons heil. ‘Indien wij onze zonden belijden, Hij is getrouw en rechtvaardig, dat Hij ons de zonden vergeve, en ons reinige van alle ongerechtigheid, 1 Joh. 1:9.’

 

Het is het verlangen van ons hart om te worden zoals Hij, zodat de wereld zal zien hoe groot Zijn kracht is, die in onze zwakheid wordt volbracht. Zijn Woord zegt: ‘Die zegt, dat hij in Hem blijft, die moet ook zelf alzo wandelen, gelijk Hij gewandeld heeft, 1Joh. 2:6.’ Jezus bad in Zijn smartelijke lijden, voor hen die Hem hebben bespot en gekruisigd: ‘Vader, vergeef het hun; want zij weten niet, wat zij doen, Luk. 23:34.’ Is dit gebed vol liefde ook voor ons vandaag niet tot rijke troost?

 

Direct nadat de Heere Jezus het “Onze Vader” heeft uitgesproken zegt Hij: ‘Want indien gij den mensen hun misdaden vergeeft, zo zal uw hemelse Vader ook u vergeven. Maar indien gij den mensen hun misdaden niet vergeeft, zo zal ook uw Vader uw misdaden niet vergeven, Matth. 6:14,15.’ Er kan geen vergeving zijn voor onze zonden als wij zelf anderen niet willen of kunnen vergeven. Het is zo belangrijk om hier diep van doordrongen te zijn. Er kan geen gemeenschappelijke wandel zijn met onze hemelse Vader als wij boosheid, wrok of haat koesteren tegen één van onze naasten. Wij moeten er naar streven om vrede met alle mensen te houden en het oordeel aan de Heere over te geven. ‘Wreekt uzelven niet, beminden, maar geeft den toorn plaats; want er is geschreven: Mij komt de wraak toe; Ik zal het vergelden, zegt de Heere. Indien dan uw vijand hongert, zo spijzigt hem; indien hem dorst, zo geeft hem te drinken; want dat doende, zult gij kolen vuurs op zijn hoofd hopen. Wordt van het kwade niet overwonnen, maar overwint het kwade door het goede, Rom. 12:19-21.’

 

Wij mensen zijn maar al te snel vol boosheid en willen het recht in eigen hand nemen. Laten wij in zulke momenten eens denken aan ons eigen boze hart en Gods vergevende genade. Dan kunnen wij zelfs als wij gestenigd worden, met Stefanus op onze knieën vallen en roepen: ‘Heere, reken hun deze zonde niet toe! Hand. 7:60b.’ Als mensen ons onrecht aandoen, dan kunnen wij diep beledigd of verdrietig zijn, toch worden wij opgeroepen om hen te vergeven. ‘Verdragende elkander, en vergevende de een den anderen, zo iemand tegen iemand enige klacht heeft; gelijkerwijs als Christus u vergeven heeft, doet ook gij alzo, Kol. 3:13.’ Steeds opnieuw wijst het Woord ons op Christus als de bron van vergeving waaruit ook wij vergeven hen die ons schuldig zijn. ‘Maar zijt jegens elkander goedertieren, barmhartig, vergevende elkander, gelijkerwijs ook God in Christus ulieden vergeven heeft, Ef. 4:32.’

 

Lieve vrienden, broeders en zusters, Gods vergevende genade kan alleen de bron van troost en vrede zijn als wij anderen vergeven. ‘En wanneer gij staat om te bidden, vergeeft, indien gij iets hebt tegen iemand; opdat ook uw Vader, Die in de hemelen is, ulieden uw misdaden vergeve, Mark. 11:25.’ Zie op Jezus en vervul dit gebod zelfs als een broeder zeventig maal zeven maal tegen ons zondigt (Matth. 18:21). Hoe vaak hebben u en ik niet gezondigd tegen Gods liefde en gena? “O Vader, vergeef ons onze schulden, gelijk ook wij vergeven onze schuldenaren.” Amen.

 

Waar is onze schuld gebleven?

Christus heeft voor ons geboet.

Onze vrijbrief, lang geschreven,

is verzegeld met zijn bloed.

Wij zijn leden

hier beneden

van ons hoofd, dat boven is.

Hij heeft ons de weg bereid

naar des hemels heerlijkheid.

 

Wie zal ons nog schuldig heten,

nu, met eer en heerlijkheid,

Jezus Christus is gezeten

op de troon, voor Hem bereid?

In Hem heilig,

zijn wij veilig.

Niets, dat van zijn liefde ons scheidt.

Nu het Lam zit op de troon,

rooft ons niemand onze kroon.

 

Wil ons, Heer, genadig leiden,

ons, uw duurgekochte schaar;

leer ons uwe hulp verbeiden,

tot U opzien in gevaar.

Is dan 't leven

ook doorweven

van beproeving, strijd en nood -

eenmaal komt Ge in majesteit,

en schenkt ons uw heerlijkheid.

Wilco Vos Veenendaal 10-08-2015