M34 Wij zullen de Heere dienen

26-08-2016 07:32

‘Wien heb ik nevens U in den hemel? Nevens U lust mij ook niets op de aarde! Ps. 73:25.’

 

Wat een heerlijk getuigenis komt hier over de lippen van Asaf; ‘Wien heb ik nevens U in de hemel? Nevens U lust mij ook niets op de aarde!’ Diep doordrongen van het feit dat zijn hart verbonden was aan de levende God, roept hij dit getuigenis uit. Het is in deze drie en zeventigste psalm dat we Asaf horen zeggen hoe hij bijna was uitgegleden, het scheelde niet veel of hij had een misstap gedaan. Hij was nijdig toen hij zag dat de goddelozen alle voorspoed van de wereld genoten, terwijl hij, met zijn vertrouwen op God, zo’n moeilijke weg moest gaan. Het leek wel alsof hij tevergeefs zijn hart gezuiverd had en zijn handen in onschuld gewassen. Wat nut het alles als je de hele dag geplaagd wordt en de bestraffing er iedere morgen is? Hoe Asaf ook probeerde een antwoord te vinden op dit grote vraagstuk, hij vond geen antwoord totdat hij zag op het einde van de goddelozen. Zolang Asaf bleef kijken op zijn eigen moeilijke weg, die zo vaak onmogelijk scheen en zag op de voorspoed van de goddelozen, vond hij geen antwoord. Maar afziende van de omstandigheden en opziende tot Zijn God was het Gods Geest Die hem liet zien hoe verschrikkelijk het zal zijn om zo van de tijdelijke voorspoed in de rampzaligheid te moeten wegzinken. Wat een verschrikkelijke werkelijkheid, Asaf werd diep getroffen en voelde zich ellendig over zijn geprikkeldheid over deze zaak. Hij roept het uit: ‘Als mijn hart opgezwollen was en ik in mijn nieren geprikkeld werdt, Toen was ik onvernuftig en wist niets, ik was een groot beest bij U, Ps. 73:22.’ En dan vanuit die diepte klimt hij op en roept het uit: ‘Ik zal dan gedurig bij U zijn; Gij hebt mijn rechterhand gevat; Gij zult mij leiden door Uw raad; en daarna zult Gij mij in heerlijkheid opnemen, Ps. 73:23,24.’ O wat een diepe troost en grote blijdschap te mogen weten bij de hand gevat te zijn, ja wat een heerlijk vooruitzicht om te zien op dat wat voor ons ligt in die eeuwige heerlijkheid. Dan moet Hij het wel uitroepen: ‘Wien heb ik nevens U in den hemel? Nevens U lust mij ook niets op de aarde! Ps. 73:25.’

 

Lieve vrienden, u die de Heere liefhebt, u kent deze strijd uit eigen ondervinding. Eén ding weet u, u was blind en nu mag u zien. U was blind voor uw zonden, blind voor uw schuld tegenover God, blind voor het rechtvaardig oordeel dat zeker komen zou maar ook blind voor Gods genadige barmhartigheid en Zijn liefde geopenbaard in het schenken van Zijn Zoon. Wat een wonder dat Gods Geest uw oog heeft geopend. U zag dat de weg waarop u ging een weg was die zou eindigen in het verderf, het was uw zonde die scheiding maakte tussen God en uw ziel, de straf op de zonde is een rechtvaardige straf. Wat een blijdschap vervult dan het hart als het Evangelie de zondaar toeroept; ‘Wendt u naar Mij toe, wordt behouden alle gij einden der aarde; want Ik ben God en niemand meer. Jes. 45:22.’ Wat een kracht in die trekkende liefde van God de Vader die door Woord en Geest het zondaars oog richt op Zijn Zoon. Daar aan Golgotha ’s kruis is de straf betaald, daar stierf Jezus, de Zoon van God, Zijn bloed reinigt van alle zonden. Vrienden, wat een vrede als het hart leert rusten in dat offer dat alle schuld verzoend. De zondaar die rust in het volbrachte werk van de Heere Jezus Christus, roept het uit: “Heere Ik heb U lief, omdat U mij eerst hebt liefgehad, 1 Joh. 4.” We weten dat de Heere Jezus heeft opgeroepen om het kruis op te nemen en Hem te volgen. We weten dat Hij niets had waarop Hij zijn hoofd kon neerleggen en roept om Hem te volgen. Hem liefhebben betekent Hem werkelijk op de eerste plaats stellen waarbij al het andere van minder belang is. Zelfs vader of moeder, man of vrouw en kinderen zijn de gelovige minder waard dan God hun Vader en hun Heiland de Heere Jezus Christus. Sommigen denken dat dat betekent dat de man of de vrouw, vader of moeder zoon of dochter dan ineens minder belangrijk geworden is. Dat is zeker niet het geval. De man die vrede in God vindt krijgt zijn vrouw liever als ooit tevoren maar de liefde tot God overstijgt dit alles en daarmee zal hij dit ook zoeken voor zijn vrouw. De vader die mag geloven dat het bloed van Jezus Christus hem reinigt van al zijn zonden, gaat zijn zoon of dochter meer beminnen en tegelijk is zijn liefde tot God dit alles overstijgend, waardoor hij niet zal rusten voor ook zijn zoon en dochter deze vrede in God zal hebben gevonden. De man die God liefheeft is zich bewust dat hij vader en moeder heeft verlaten en nu op eigen benen staat waarbij hij keuzes moet maken die soms ingaan tegen het verlangen of de wil van vader en moeder. Dat betekent niet dat hij zijn vader en moeder niet liefheeft, nee zijn liefde tot God bepaalt zijn keuzes en hij zal niet rusten totdat ook vader en moeder de vrede en blijdschap hebben gevonden in de schuldvergeving van hun zonden. Gelovige broeders en zusters, zelfs als onze ouders, vrienden of familie de Heere Jezus liefhebben, dan wil dat niet zeggen dat wij hen nooit behoeven teleur te stellen in de keuzes die wij maken voor het aangezicht van God. God roept Zijn kinderen soms stappen te zetten die ingaan tegen dat wat onze omgeving van ons verlangt. Dan komt het erop aan of wij God meer liefhebben dan onze omgeving. Weet, dat de zegen van God en het leven met Hem in gemeenschap de gunst van mensen ver overstijgt, ja sterker nog, die vader of moeder, of wie dan ook liefheeft boven Hem, is het leven met Hem niet waard. Als wij als gelovige zo met God mogen wandelen in het gelovig overgevend van heel ons leven in Zijn hand, dan valt het zwaar als de weg soms door diepe dalen gaat. Ons hart is vervuld met liefde en wij willen de Heere volgen waar Hij ook heen gaat. Maar dan worden kinderen ziek of ons lichaam wordt alsmaar zwakker, we kunnen de huur van het huis of de hypotheek niet betalen. We zijn verlost van onze hemelhoge schuld en dan drukt een financiële schuld ons neer. We hebben hard gewerkt om een zaak op te bouwen en het lijkt ineens allemaal fout te gaan. Hoe is het mogelijk? Waarom heeft de goddeloze voorspoed en moet het kind van God gebrek lijden? Hoe zit het dan met die tekst in Gods Woord: ’Ik ben jong geweest, ook ben ik oud geworden, maar heb niet gezien den rechtvaardige verlaten, noch zijn zaad zoekende brood, Ps. 37:25.’ Het klinkt allemaal mooi en veelbelovend, maar het tegendeel lijkt waar te zijn. Wij gaan toch het gras en de musjes te boven, waar is dan Gods trouw? Vrienden wat een zware strijd kan dit zijn in het hart van hen die God liefhebben en Hem willen volgen. Maar weet u, wij zien maar zo’n klein stukje van het geheel. Zou God onze Vader niet veel beter weten wat goed is voor ons? Moeten wij ook niet met Asaf letten op het einde van de goddelozen en bemerken dat dit zo tegengesteld is aan dat van de rechtvaardigen? Is het niet beter met weinig aardse goederen en een hart vol vrede in te gaan in de heerlijkheid die God voor ons bewaart, dan zo van de rijkdom te storten in het verderf? Laat de goddeloze maar blij zijn met het geld en de mooie spullen, ik weet dat de vrede van God dit alles overstijgt. Maar, dat neemt niet weg dat we soms denken om te komen als we zien op de omstandigheden. Wat een zorg kan het hart soms kwellen. Maar lieve broeders en zusters, is dat niet het grote probleem? Zijn wij niet al te vaak bevreesd voor dat wat komen gaat? Kom, laten wij werkelijk alles uit handen geven en vertrouwen op Vaders zorg. Wij mogen doen wat onze hand vindt om te doen, wij doen vlijtig het werk waar wij toe geroepen zijn en God zal voorzien. Misschien neemt hij wel een huis een auto of een zaak van ons af en mogen wij straks zien hoe wijs zijn bedoeling daarmee was. Wij moeten beseffen dat wij hier leven in een door de zonde vervloekte wereld. Aan tegenslagen en verdrukking zullen wij niet ontkomen, maar hebt goede moed, voor allen die de Heere vrezen zal dit alles straks verwisseld worden voor een eeuwige gelukzaligheid. Laten wij in deze beproeving niet in de zonde van ongeloof vallen zoals het volk Israël in de woestijn, maar ons sterken in de Heere onze God en overwinnen in het geloof.

 

Asaf riep uit dat hij buiten de HEERE niets meer verlangde en in het geloof vervolgde hij: ‘Bezwijkt mijn vlees en mijn hart, zo is God de Rotssteen mijns harten, en mijn Deel in eeuwigheid. Want ziet, die verre van U zijn, zullen vergaan; Gij roeit uit, al wie van U afhoereert; Maar mij aangaande, het is mij goed nabij God te wezen; ik zet mijn betrouwen op den Heere HEERE, om al Uw werken te vertellen, Ps. 73:26-28.’ Kom vrienden, zetten wij ons betrouwen op de Heere en laat niets ons weerhouden om Hem te verheerlijken in onze gedachten, gebeden, gezangen, woorden en werken. Hij is getrouw! Wat er ook gebeurt, laat de keuze van Asaf ook onze keuze zijn; “het is mij goed nabij God te wezen.”

 

Misschien is er iemand van ons die moet belijden de vrede en de blijdschap in de Heere gekend te hebben. Wat was het goed om te mogen rusten in het volbrachte werk van de Heere Jezus Christus. Niet meer het eigen werk, niet meer zoeken maar gevonden en te rusten in het werk dat Hij voor ons gedaan heeft. Wat een troost om te mogen geloven bevrijd te zijn van schuld en zonden. Het hart van de gelovige zondaar verlangt om de Heere te volgen met heel het hart. Maar ach, waar is die liefde gebleven, waar is het hart dat vervuld is met hoop en vertrouwen? Het is zo anders geworden. De zorgen van het leven, de voorspoed of misschien wel het gebrek heeft gemaakt dat God niet meer op de eerste plaats staat. Andere zaken zijn zo belangrijk geworden dat de gemeenschap met de Heere is verwaterd.  Lieve vrienden, waar gaat uw hart nu werkelijk naar uit? Kunt u met uw gehele hart zeggen de Heere Jezus lief te hebben? Is Hij Die Persoon Die voor u de dood is ingegaan? Is Hij het die zo smartelijk moest lijden voor uw zonden? Is God, uw Vader, niet de God van trouw? Hij heeft toch beloofd dat niets u zal ontbreken? Kom, ik roep u op met de woorden van de Heere Jezus: ‘Maar zoekt eerst het Koninkrijk Gods en Zijn gerechtigheid, en al deze dingen zullen u toegeworpen worden. Matth. 6:33.’ Laat u niet verstrikken door de zaken van deze tijd, waarom wordt u aangetrokken door de zwakke glans van het goud van de wereld terwijl uw Zaligmaker, de Zon der gerechtigheid schittert tot in eeuwigheid? Misschien bent u met Asaf nijdig geweest of moedeloos geworden en bent u, daar waar Asaf blees staan, afgegleden in de zonden. Bent u verstrikt? Hebt u uw heil gezocht bij de mensen? Hebt u werkelijk iets anders gesteld boven uw God?

 

In gedachten zie ik Jozua staan, voordat hij gaat sterven spreekt hij het volk Israël toe. Hij blikt terug op de grote verlossing van het volk en op de trouw van de HEERE, hun God. Hij roept hen op om de HEERE te vrezen en afstand te doen van de afgoden. ‘Doch zo het kwaad is in uw ogen den HEERE te dienen, kiest u heden, wien gij dienen zult; hetzij de goden, welke uw vaders, die aan de andere zijde der rivier waren, gediend hebben, of de goden der Amorieten, in welker land gij woont; maar aangaande mij, en mijn huis, wij zullen den HEERE dienen! Joz. 24:15.’ Jozua was beslist in zijn keuze, nee die stomme afgoden die zouden hem niet kunnen helpen, sterker nog, ze zouden hem in het verderf storten. Zijn hart ging uit naar de levende God en hij verbond zich als het ware opnieuw aan Zijn God en Heiland. Als het volk aangeeft de HEERE te willen dienen, wijst Jozua hen op de heiligheid van de HEERE die niet samen kan gaan met afgodendienst, zij zullen vernietigd worden als zij door gaan in het afwijken van hun God. Dan horen we de heerlijke keuze van het volk: “Nee, maar wij zullen de HEERE dienen.” Jozua wijst hen erop dat zij getuigen zijn van hun eigen woorden, roept hen op om afstand te doen van alle vreemde goden en het hart geheel te richten op de HEERE. Jozua maakte met het volk een verbond, schreef de woorden op en richtte een steen op als teken van het gemaakte verbond.

 

Lieve vrienden, Vandaag zeg ik u vanuit het diepst van mijn hart: “Ik en mijn huis, wij zullen de Heere dienen!” Ik weet met heel mijn hart, dat ik nergens anders vrede vind dan in Christus mijn Heiland. Ik wens nergens anders heen te gaan want Hij heeft de woorden van eeuwig leven, Hij is mijn eeuwig leven. Wat is uw keuze? Heeft u uw knieën nog nooit in oprechtheid gebogen? Heeft u nog nooit de toevlucht genomen tot de Heere Jezus, uw zonden beleden en Hem gelovig omhelsd als uw Zaligmaker? Vandaag is het nog niet te laat, Hij roept u toe: ‘Komt herwaarts tot Mij, allen die vermoeit en belast zijt, en Ik zal u rust geven, Matth. 11:28.’ U die beschaamt moet zeggen afgeweken te zijn van uw eerste liefde. Kom, bent u gevallen in de zonden? Hebt u uw vertrouwen gesteld op uw geld en goed, op een goede regeling of op mensen? Hebt u werkelijk goden gemaakt die u niet helpen kunnen? Er is vergeving; ‘Indien wij onze zonden belijden, Hij is getrouw en rechtvaardig, dat Hij ons de zonden vergeve, en ons reinige van alle ongerechtigheid, 1 Joh. 1:9.’ Vandaag mag u opnieuw uw knieën buigen, uw zonden belijden en uzelf over geven in de handen van uw hemelse Vader. Vandaag mag u een verbond maken met de God van Abraham, Izak en Jakob. U mag vandaag zeggen; “Ik zal de Heere dienen.”  Doe dan weg alles wat u verhindert om te wandelen in de weg die de Heere wil dat u gaan zult. Geef uzelf geheel aan Hem over en laat Zijn Woord uw leidraad zijn. Hij is een heilig God en wil gediend worden op een manier die Hijzelf omschreven heeft in Zijn heilig Woord. Laat u dan onderwijzen door dat Woord en Zijn Heilige Geest. Een verbond is een heilige belofte, weet wat u doet, kiest dan heden wie gij dienen zult, blijf niet langer hinken op twee gedachten, zo de Heere God is, volg Hem na en zo u meent ergens anders uw heil in te vinden, maak dan uw keuze ( 1 Kon. 18). De Heere Jezus was erg scherp in Zijn onderwijs; ‘Niemand kan twee heren dienen; want of hij zal den enen haten en den anderen liefhebben, of hij zal den enen aanhangen en den anderen verachten; gij kunt niet God dienen en den Mammon (het geld en goed). Matth. 6:24.’

 

Jozua richtte een steen op als teken van het gemaakte verbond. Laten wij vandaag een pen en papier pakken en opschrijven dat wij de Heere willen dienen met heel ons hart. Ja laten wij onszelf vandaag voor het eerst of opnieuw, met heel ons hart en leven, verbinden aan Hem Die zondaren roept en zaligt uit genade. Geprezen zij Zijn grote Naam. Amen.

 

Psaml 73 vers 1, 12, 13, 14
 
Ja waarlijk, God is Isrel goed,
Voor hen, die rein zijn van gemoed;
Hoe donker ooit Gods weg moog' wezen,
Hij ziet in gunst op die Hem vrezen.
Maar ach, hoewel mijn ziel dit weet,
Mijn voeten waren in mijn leed
Schier uitgeweken, en mijn treên
Van 't spoor der godsvrucht afgegleên.
 
'k Zal dan gedurig bij U zijn,
In al mijn noden, angst en pijn;
U al mijn liefde waardig schatten,
Wijl Gij mijn rechterhand woudt vatten.
Gij zult mij leiden door Uw raad,
O God, mijn heil, mijn toeverlaat;
En mij, hiertoe door U bereid,
Opnemen in Uw heerlijkheid.
 
Wien heb ik nevens U omhoog?
Wat zou mijn hart, wat zou mijn oog,
Op aarde nevens U toch lusten?
Niets is er, waar ik in kan rusten.
Bezwijkt dan ooit, in bitt're smart
Of bangen nood, mijn vlees en hart,
Zo zult Gij zijn voor mijn gemoed
Mijn rots, mijn deel, mijn eeuwig goed.
 
Wie, ver van U, de weelde zoekt,
Vergaat eerlang en wordt vervloekt;
Gij roeit hen uit, die afhoereren
En U den trotsen nek toekeren;
Maar 't is mij goed, mijn zaligst lot,
Nabij te wezen bij mijn God;
'k Vertrouw op Hem geheel en al,
Den HEER, Wiens werk ik roemen zal.
 

Wilco Vos Veenendaal 23-08-2016