M35 Het onze Vader deel 8 Leid ons niet in verzoeking

28-08-2015 08:38

‘En leid ons niet in verzoeking, maar verlos ons van den boze. Want Uw is het Koninkrijk, en de kracht, en de heerlijkheid, in der eeuwigheid, amen, Matth. 6:13.’

 

Vol kinderlijk vertrouwen wordt het onze Vader gebeden door hen die zich afhankelijk weten van hun God en Vader. In dit heerlijke gebed wordt Zijn Naam verheerlijkt, gestaan op de beloftes van Zijn trouwe zorg en gesmeekt om Zijn hulp en leiding. Wat een diepe troost om te mogen geloven dat de Schepper van hemel en aarde door genade onze Vader is geworden door het geloof in de Heere Jezus Christus. Hij Die stierf in de plaats van de zondaar opdat de zondaar leven zou in gemeenschap met de enige God. Nu geen roem in iets van ons maar alles in en door Hem. Het besef dat het Gods genade is maakt ons klein en juist ook de dagelijkse strijd op deze aarde waar we te maken hebben met de wereld die verleid, het vlees dat zo zwak is en de duivel die ons aanport tot zonde en ongeloof doet ons roepen; ‘Onze Vader, U Die in de hemel woont, leid ons niet in verzoeking maar verlos ons van de boze.’ Zoals we ons beroepen op de Heere om ons dagelijks brood zo hebben wij Hem nodig in onze strijd tegen de verleiding tot zonden.

 

Als we nadenken over de woorden; ‘Leid ons niet in verzoeking,’ dan kunnen wij ons afvragen waar de verzoeking vandaan komt. We vragen of onze Vader ons niet in verzoeking wil leiden, maar doet Hij dat dan? Jakobus zegt: ‘Niemand, als hij verzocht wordt, zegge: Ik word van God verzocht; want God kan niet verzocht worden met het kwade, en Hij Zelf verzoekt niemand, Jak. 1:13.’ We weten dat de duivel de verzoeker wordt genoemd (Matth. 4:3). En toch lezen we in Genesis dat God Abraham verzocht. ‘En het geschiedde na deze dingen, dat God Abraham verzocht; en Hij zeide tot hem: Abraham! En hij zeide: Zie, hier ben ik! Gen. 22:1.’ Abraham krijgt de opdracht om Izak, zijn enige lang verwachtte en geliefde zoon te nemen en hem te offeren op één van de bergen die de HEERE hem wijzen zou. Wat een diepe beproeving is dit voor Abraham, hoe zou het nu ooit goed komen met Gods belofte van een groot nageslacht? Toch gaat Abraham in het geloof, hij redeneerde niet maar gehoorzaamde God zonder Hem te begrijpen. Izak ging gewillig mee in het vertrouwen dat wat zijn vader doet goed is. En terwijl Izak op het altaar ligt en Abraham het mes in zijn hand heeft klinkt  de stem van God: ‘Strek uw hand niet uit aan den jongen en doe hem niets; want nu weet ik dat gij godvrezende zijt, en uw zoon, uw enige, van Mij niet hebt onthouden, Gen. 22:12.’ Abraham werd verzocht en dwars door deze verzoeking heen bleek hoe groot zijn geloof in zijn God was. De HEERE gaf Izak als het ware dwars door de dood heen terug aan zijn vader en er werd een ram geslacht in zijn plaats. Hoe zien we hier het offer van Christus op Golgotha schitteren. Lieve vrienden, als wij mogen rusten in het offer van Christus dan mogen wij geloven dat wij als het ware dwars door de dood zijn teruggegeven aan God onze Vader. Abraham wordt de vader van alle gelovigen genoemd en dat wel omdat hij een voorbeeld is voor alle gelovigen en uit Hem het beloofde Zaad, de Heere Jezus Christus is geboren. Jakobus zegt van hem: ‘Abraham, onze vader, is hij niet uit de werken gerechtvaardigd, als hij  Izak, zijn zoon, geofferd heeft op het altaar? Jak. 2:21.’ Na de dood van Abraham spreekt de HEERE tot Izak en bevestigt de eed aan Abraham dat zijn zaad zal vermenigvuldigen en dat in zijn Zaad alle volken gezegend zullen worden. ‘Daarom dat Abraham Mijn stem gehoorzaam geweest is, en heeft onderhouden Mijn bevel, Mijn geboden, Mijn inzettingen en Mijn wetten, Gen. 26:5.’

 

We zien dus dat de HEERE Zijn kinderen, de gelovigen, beproeft en dat deze beproeving ook wel een verzoeking genoemd wordt. 

Als de HEERE Zijn volk uit Egypte heeft geleid worden zij in de woestijn op de proef gesteld. Ze hebben dorst en zoeken water, dan als zij komen te Mara vinden zij bitter water en mopperen daarover tegen Mozes; ‘Wat zullen wij drinken?’ ‘Hij dan riep tot den HEERE; en de HEERE wees hem een hout, dat wierp hij in dat water; toen werd het water zoet. Aldaar stelde Hij het volk een inzetting en recht, en aldaar verzocht Hij hetzelve, En zeide: Is het, dat gij met ernst naar de stem des HEEREN uws Gods horen zult, en doen, wat recht is in Zijn ogen, en uw oren neigt tot Zijn geboden, en houdt al Zijn inzettingen; zo zal Ik geen van de krankheden op u leggen, die Ik op Egypteland gelegd heb; want Ik ben de HEERE, uw Heelmeester! Ex. 15:25,26.’ We zien dat de HEERE hen hier als het ware op de proef stelt en hen een voorwaardelijke belofte geeft. Als zij Hem zullen gehoorzamen dan zal Hij hen zegenen door hen te bewaren voor de ziekten en de plagen die zij gezien hebben in Egypte.

 

Even later is er honger en moppert het volk dat zij beter bij de vleespotten van Egypte hadden kunnen blijven. ‘Toen zeide de HEERE tot Mozes: Zie, Ik zal voor ulieden brood uit den hemel regenen; en het volk zal uitgaan, en verzamelen elke dagmaat op haar dag; opdat Ik het verzoeke, of het in Mijn wet ga, of niet, Ex. 16:4.’ Dwars door dit wonder van het dagelijks manna en het gebod om op de sabbat te rusten, loopt de verzoeking, waarbij het volk beproefd wordt of zij gehoorzaamt aan de HEERE en Zijn gebod.

 

Bij de berg Sinaï ontvangt het volk het verbond: ‘Nu dan, indien gij naarstiglijk Mijner stem zult gehoorzamen, en Mijn verbond houden, zo zult gij Mijn eigendom zijn uit alle volken, want de ganse aarde is Mijn, Ex. 19:5.’ En al het volk antwoordde: ‘Al wat de HEERE gesproken heeft, zullen wij doen! En Mozes bracht de woorden des volks weder tot den HEERE, Ex. 19:8.’ Ook dan lezen we dat deze geboden een beproeving inhouden. ‘En Mozes zeide tot het volk: Vreest niet, want God is gekomen, opdat Hij u verzocht, en opdat Zijn vreze voor uw aangezicht zou zijn, dat gij niet zondigdet, Ex. 20:20.’ De geboden en de machtige tekenen van donder en bliksem vervulde het volk met vreze voor de HEERE en het doel was opdat zij niet zouden zondigen.

 

We zien dus dat de HEERE hier de beproever is en zoals we ook lezen in Deuteronomium gebruikt Hij daar zelfs valse profeten voor. ‘Gij zult naar de woorden van dien profeet, of naar dien dromen-dromer niet horen; want de HEERE, uw God, verzoekt ulieden, om te weten, of gij den HEERE, uw God, liefhebt met uw ganse hart en met uw ganse ziel, Deutr. 13:3.’ Dit moet ons ook alert maken bij de boodschappen die wij te horen krijgen. Laten wij het woord van mensen toetsen of het naar het Woord van God is. Een valse profeet zal zich niet kenbaar maken als een wolf maar doet zich voor als een schaap en sleept hen mee die meer waarde hechten aan de woorden van mensen dan aan het Woord van God.

 

We zullen nog één tekst nemen vanuit het Eerste Testament om dan te zien hoe ook onze Heere Jezus werd beproefd.

 

‘Alle geboden, die ik u heden gebiede, zult gij waarnemen om te doen, opdat gij leeft, en vermenigvuldigt, en inkomt, en het land erft, dat de HEERE aan uw vaderen gezworen heeft. En gij zult gedenken aan al den weg, dien u den HEERE, uw God, deze veertig jaren in de woestijn geleid heeft; opdat Hij u verootmoedige, om u te verzoeken, om te weten, wat in uw hart was, of gij Zijn geboden zoudt houden, of niet, Deut. 8:1,2.’ Het volk Israël en allen die de Heere lief hebben worden verzocht en dwars door de verzoeking heen zal blijken hoe het in ons hart is.

Juist in de beproevingen zullen wij ontdekken dat het volhardend geloof, Gods grote daden openbaart. Het volgende vers van Deuteronomium zegt: ‘En Hij verootmoedigde u, en liet u hongeren, en spijsde u met het Man, dat gij niet kendet, noch uw vaderen gekend hadden; opdat Hij u bekend maakte, dat de mens niet alleen van het brood leeft, maar dat de mens leeft van alles, wat uit des HEEREN mond uitgaat, Deut. 8:3.’ God is machtig om brood (manna) en vlees (kwakkels) uit de hemel te schenken. Zijn zelfde machtswoord kan een mens veertig dagen en veertig nachten doen leven zonder voedsel.

 

Nadat de Heere Jezus gedoopt is, wordt Hij in de woestijn geleid en daar wordt Hij, de Zoon van God, waarachtig God en waarachtig Mens verzocht door de duivel. Als Hij na veertig dagen en veertig nachten vasten honger heeft, komt de verzoeker en verleidt Hem om van stenen brood te maken. En dan antwoord de Heere Jezus met de woorden die wij net gelezen hebben in Deuteronomium 8: “Er is geschreven: De mens zal bij brood alleen niet leven, maar bij alle woord, dat door de mond Gods uitgaat” (Matth. 4:4) De duivel probeert de Heere Jezus tot drie keer toe te verzoeken en tot drie keer toe weerstaat Jezus hem met het Woord. Het is ook voor ons belangrijk om het Woord te kennen, zo zullen wij in de verzoekingen houvast vinden in het Woord terwijl wij er goed van doordrongen moeten zijn dat ook de boze tot de Heere Jezus sprak; “er staat geschreven”, de duivel weet wat er staat geschreven en juist dat maakt hem zo gevaarlijk voor hen die niet weten wat er geschreven staat. De Heere Jezus bleef staan. ‘En toen de duivel alle verzoeking voleindigd had, week hij van Hem voor een tijd, Luk. 4:13.’ De duivel heeft vele pijlen op zijn boog en zal steeds opnieuw loeren om ons te verleiden tot zonde. Juist die wetenschap doet ons uitroepen: ‘Leid ons niet in verzoeking, maar verlos ons van de boze.’ Het is de boze wereld, ons verdorven vlees en die stokende vijandige duivel die verzoekt en tegelijk kan hij niets doen dan dat waar God hem als het ware toestemming voor geeft. De Heere verzoekt ons maar zal ons nooit aanzetten tot zonde. Zijn verzoeking is om ons geloof te beproeven en die verzoeking komt door ziekte, pijn, sterfgevallen, honger, verdriet en duivelse misleiding. Ons eigen vlees dat zich hoogmoedig wil verheffen wordt geprikkeld, het nukkige karakter wil niet buigen en de liefde tot onszelf is vaak groter dan de liefde tot onze naaste. Hier roepen wij; “O Vader, leid ons niet in een verzoeking die voor ons te zwaar zou zijn zodat wij vallen in de zonde. Maar verlos ons van de boze, geef ons een leven in gebrokenheid en liefdevolle aanbidding. Maak dat Uw beeld meer en meer gezien wordt in ons leven. Want Uw is het Koninkrijk, en de kracht, en de heerlijkheid, in der eeuwigheid, amen.” Ja Hem komt toe alle lof eer en aanbidding.

 

Nu we gezien hebben hoe God verzoekingen gebruikt om ons geloof te beproeven, begrijpen we beter hoe Paulus kan roemen in de verdrukking (Rom. 5:3). Juist omdat hij weet dat die verdrukking een gezegende uitwerking heeft voor hen die het gelovig aanvaarden. Jakobus zegt: ‘Acht het voor grote vreugde, mijn broeders, wanneer gij in velerlei verzoekingen valt, Jak. 1:2.’ Want deze beproeving van het geloof werkt lijdzaamheid, het maakt ons geduldiger, het loutert ons zoals goud gelouterd wordt. Het goud wordt zuiverder als het door het vuur beproefd wordt en zo zal het leven van de gelovige meer en meer gezuiverd worden door het beproevende werk dat gelovig ondergaan wordt. ‘Zalig is de man, die verzoeking verdraagt; want als hij beproefd zal geweest zijn, zal hij de kroon des levens ontvangen, welke de Heere beloofd heeft dengenen, die Hem liefhebben, Jak. 1:12.’ Nu begrijpen wij dat Jakobus ons waarschuwt om nooit God de schuld te geven als wij in de zonde vallen. Het zijn onze eigen begeerten die ons aanzetten tot de zonde (Jak. 1:13-15). Vandaar onze roep: “Leid ons niet in verzoeking maar verlos ons van de boze.” Tegelijk bidden wij met David: ‘Proef mij, HEERE, en verzoek mij; toets mijn nieren en mijn hart, Psalm 26:1.’ Opdat heel onze wandel tot eer en glorie van Uw Naam zal zijn. Amen.

 

U bent, o Heer, mijn licht;

op U alleen vertrouwt mijn hart.

't Geloof houdt steeds in vreugd en smart

het oog op U gericht.

U leidt mij wonderbaar.

Word ik verzocht in nood en strijd,

U bent mijn helper te allen tijd',

mijn toevlucht in gevaar.

 

Ik weet, dat U mij mint;

U bent mij overal nabij;

U ondersteunt en zegent mij,

verzorgt mij als uw kind.

'k Vertrouw me aan U geheel,

want U, o Here, kent mijn strijd,

bewaart mij in verzoekingstijd;

U bent mijn eeuwig deel.

 

In deze woestenij

vindt mijne ziele nergens rust;

't geloof ziet reeds de hemelkust,

daar wacht U, Heiland, mij.

Haast is mijn strijd gestreen;

haast zal ik in de hemelhof

U brengen dank, aanbidding, lof,

 

die U behoort alleen.

 

Wilco Vos Veenendaal 26-08-2015