M37 Slaaf van de wet of kind in de vrijheid. Romeinen 6:11.

12-09-2012 18:29

‘Alzo ook gijlieden, houdt het daarvoor, dat gij wel der zonde dood zijt, maar Gode levend zijt in Christus Jezus, onzen Heere, Rom. 6:11.’

Zolang wij mensen nog leven zonder de vrede van God in ons hart, kunnen wij veel zaken uit Gods Woord niet begrijpen. ‘Maar de natuurlijke mens begrijpt niet de dingen die des Geestes Gods zijn; want zij zijn hem dwaasheid, en hij kan ze niet verstaan, omdat zij geestelijk onderscheiden worden. Doch de geestelijke mens onderscheidt wel alle dingen, maar hij zelf wordt van niemand onderscheiden, 1 Kor. 2:14,15.’ Zo is het ook als het gaat over de vrijheid van de wet, voor Gods kinderen. Het natuurlijke voorbeeld leert ons dat iemand die onder de wet is niet kan zonder die wet. Kinderen die thuis strak gebonden zijn aan allerlei wetten, gehoorzamen vaak uit angst en op straat leven ze als niet te hanteren kinderen. Zij kunnen niet meer zonder strakke hand. Maar al te vaak zien we dat deze kinderen op de één of andere manier later uit de band springen. Een huis waar de alleen de wet heerst, is een tuchthuis. Een huis waar liefde woont, is een veilig thuis.

Een mens die denkt God te kunnen bevredigen door de wetten te onderhouden, is een slaaf van de wet en zal vroeg of laat verloren gaan, onder het oordeel van die wet. Nu is het juist deze mens die zal zeggen, ‘Zullen wij in de zonden blijven, opdat de genade meerder worde? Rom. 6:1.’ Omdat dit de natuur is van deze mens. Wanneer het zondigt, is het in zijn element en de wet probeert deze begeerte te onderdrukken. Het gehoorzamen aan deze wet is dan ook geen liefde maar een slaafse vrees. 

Wij mensen willen alles zelf onder controle houden. Zelf de touwtjes in handen hebben en zelf beslissen wat goed of fout is. Een ander moet ons niet zeggen wat wij wel of niet doen moeten. Als nu Gods Geest een mens ontdekt aan wie hij is, dan gaan we pas voor het eerst zien dat we zondaren zijn. Zondaren, die met gedachten woorden en werken Gods geboden overtreden. Toch zal de wet die duidelijk omschrijft wat Gods Heilige wil is, ons nooit met God kunnen verzoenen. Hoe wij ook proberen deze wet te houden, we zullen ervaren dat we steeds struikelen en in diepere zonden verwikkelt raken. ‘Daarom zal uit de werken der wet geen vlees gerechtvaardigd worden voor Hem; want door de wet is de kennis der zonde, Rom. 3:20.’

Een kind die van vader allerlei regels en wetten krijgt voorgeschreven zal ervaren dat het moeilijk is om deze regels te gehoorzamen. Als vader dan boos wordt en steeds hamert op zijn wetten zal dit kind ervaren dat het nog moeilijker wordt om te gehoorzamen. Het komt niet uit het cirkeltje van waarschuwingen en straf. Liefde ervaart het kind niet en ten slotte wil het vluchten om een eigen leven, los van alle wetten te gaan leven.

Een kind dat ervaart dat vader een hart vol liefde heeft zal uit liefde tot vader, proberen te luisteren en hem te gehoorzamen. De band van liefde wordt sterker en vader en kind groeien steeds meer naar elkaar toe.

In het geestelijke is het niet anders. Zolang God voor ons nog de Wetgever is, zullen wij gebukt gaan onder Zijn bedreigingen. ‘Want zovelen als er uit de werken der wet zijn, die zijn onder den vloek; want er is geschreven: Vervloekt is een iegelijk die niet blijft in al hetgeen geschreven is in het boek der wet, om dat te doen, Gal. 3:10.’ De vloek hangt boven ons en de wetenschap dat we straks voor God als Rechter zullen verschijnen, maakt ons angstig, want we zijn overtreders van al Zijn geboden.

‘Hierin is de liefde Gods jegens ons geopenbaard, dat God Zijn eniggeboren Zoon gezonden heeft in de wereld, opdat wij zouden leven door Hem,  1 Joh. 4:9.’ Onuitsprekelijke liefde. ‘De HEERE heeft uit den hemel nedergezien op de mensenkinderen, om te zien of iemand verstandig ware, die God zocht. Zij zijn allen afgeweken, tezamen zijn zij stinkende geworden; er is niemand die goed doet, ook niet één, Ps. 14:2,3.’ Wat een beeld van mensen in het oog van een rechtvaardig God. En nu juist om deze mensen te redden heeft God Zijn eigen Zoon gezonden, opdat wij zouden leven door Hem. God uit God, kwam naar deze door de zonde vervloekte wereld en werd geboren als een hulpeloos kindje in een beestenstal. Hij de zondeloze, moest vluchten als een opgejaagd dier. Hoe is Hij gelasterd, bespot en geslagen. Hij de machthebbende liet zich vrijwillig gevangen nemen. Liet zich bekronen met een doornenkroon en nam het kruis vrijwillig op Zich. Zie hoe Hij daar loopt door Jeruzalem. De menigte schreeuwt dat Hij moet sterven, o, wat een vernedering voor Hem die de wereld heeft geschapen en macht had om de wereld te vernietigen. Het was enkel liefde, onuitsprekelijke liefde dat Hij Zich liet nagelen aan het vervloekte kruishout. Daar hing Jezus Christus, Gods Zoon, geworden tot een vloek, om ons te verlossen van die vloek. Wie kan vatten hoeveel liefde Zijn Vader heeft tot ons mensen, dat Hij Zijn Zoon liet kruisigen? Dit alles moest geschieden, een mens had gezondigd en een Mens moest sterven. Alleen Jezus, God en Mens in één persoon kon dit als de zondeloze volbrengen. Hij is gekomen om de wet en de Profeten te vervullen, Hij heeft de wet volmaakt gehouden. Hier op Golgotha is het handschrift der wet dat tegen ons was, uitgewist. ‘Uitgewist hebbende het handschrift dat tegen ons was, in inzettingen bestaande , hetwelk , zeg ik, enigerwijze ons tegen was, en heeft datzelve uit het midden weggenomen, hetzelve aan het kruis genageld hebbende, Kol. 2:14.’ Opdat wij in de vrijheid van de kinderen Gods zouden wandelen.

Als we zien hoe Jezus word geslagen en bespot en de rietslagen die neerkomen op de doornenkroon zijn hoofd doorwonden. Hoe Zijn rug wordt open gegeseld en het ruw houten kruis op Zijn open gescheurde rug wordt gelegd. Als wij zien hoe de dikke spijkers Zijn handen en voeten doorwonden. Hoe Hij met Zijn gewicht hangt aan de spijkers, die Zijn handen en voeten doet scheuren. En uitroept; ‘Vader, vergeef het hun, want zij weten niet wat zij doen., Luk. 23:34.’ Welk hart verbreekt niet onder zoveel liefde? Het was om onze zonden dat Hij Zich liet doorwonden. O, die rietslagen op Zijn doornenkroon waren om mijn zonden. Vrienden, wie kan dan nog langer zondigen? Wie heeft nu nog behoefte om tegen zoveel liefde in te zondigen? Wat een pijn doen mijn zonden in het licht van zoveel liefde!

Als het sterven van deze Jezus, ons leven is geworden door het rusten in Zijn volbrachte werk, dan zijn wij de zonde gestorven, opdat wij in nieuwigheid des levens zouden wandelen. Al het oude is voorbijgegaan, alles is nieuw. ‘Want dat Hij gestorven is, dat is Hij der zonde eenmaal gestorven; en dat Hij leeft, dat leeft Hij Gode. Alzo ook gijlieden, houdt het daarvoor, dat gij wel der zonde dood zijt, maar Gode levend zijt in Christus Jezus, onzen Heere, Rom. 6:10,11.’  Als gelovigen moeten wij ons oude leven, houden als gestorven en begraven. ‘Want de zonde zal over u niet heersen; want gij zijt niet onder de wet, maar onder de genade, Rom. 6:14.’ De tijd dat wij onszelf probeerde te verbeteren is voorbij, we hebben immers gezien dat er van ons, dat is van ons vlees geen goeds te verwachten is. (Rom. 7:18) Nu we niet meer onder de wet zijn maar onder de genade, verwachten wij het alleen van de genade. We leven niet meer door het vlees maar door de Geest. ‘Maar nu zijn wij vrijgemaakt van de wet, overmits wij dien gestorven zijn, onder welken wij gehouden waren; alzo dat wij dienen in nieuwigheid des Geestes, en niet in de oudheid der letter, Rom. 7:6.’

Als wij als geredde zondaren bezig zijn met het overwinnen van onze zonden, dan begeven wij ons weer onder de wet. Als wij geloven dat wij met Christus zijn gestorven en begraven, dan verwachten wij geen goeds van het vlees, want dat is gestorven. Wij leven nu als kinderen van de Vader in liefdevolle verwondering en gehoorzaamheid, in het uitzien en verlangen naar het moment om altijd bij Hem te zijn. De dood jaagt ons geen schrik meer aan, want alles, alles is voldaan. ‘Zo is er dan nu geen verdoemenis voor degenen die in Christus Jezus zijn, die niet naar het vlees wandelen maar naar de Geest. Want de wet des Geestes des levens in Christus Jezus heeft mij vrijgemaakt van de wet der zonde en des doods, Rom. 8:1,2.’

‘Want zovelen als er door den Geest Gods geleid worden, die zijn kinderen Gods. Want gij hebt niet ontvangen den Geest der dienstbaarheid wederom tot vreze; maar gij hebt ontvangen den Geest der aanneming tot kinderen, door Welken wij roepen: Abba, Vader. Dezelve Geest getuigt met onzen geest, dat wij kinderen Gods zijn. En indien wij kinderen zijn, zo zijn wij ook erfgenamen, erfgenamen Gods en mede-erfgenamen van Christus; zo wij anders met Hem lijden, opdat wij ook met Hem verheerlijkt worden, Rom. 8:14,17.’