M38 Woorden van Jezus – Weest haastelijk welgezind jegens uw wederpartij

19-09-2017 09:11

‘Weest haastelijk welgezind jegens uw wederpartij, terwijl gij nog met hem op den weg zijt; opdat de wederpartij niet misschien u den rechter overlevere, en de rechter u den dienaar overlevere, en gij in de gevangenis geworpen wordt. Voorwaar, Ik zeg u: Gij zult daar geenszins uitkomen, totdat gij den laatsten penning zult betaald hebben, Matth. 5:25,26.’

 

Wat een vreugde om met elkaar na te denken over de diepe inhoud van de woorden die de Heere Jezus ons heeft nagelaten. We dachten laatst na over het onterecht toornig zijn op onze broeder en ook over het goed maken voordat we een offer aan de Heere brengen. We zien hoe de zaligsprekingen praktisch gemaakt worden in deze lessen. Zalig zijn de zachtmoedigen, ja zalig de barmhartige en zo zullen we vandaag zien hoe de vreedzame, die zaliggesproken wordt, zich in de praktijk heeft te gedragen.

 

In de woorden van onze overdenking zegt de Heere Jezus, dat als wij in conflict zijn met iemand, dat we dat zo snel mogelijk moeten zien op te lossen. Stel je voor dat we een schuld hebben openstaan bij iemand en deze persoon dringt eropaan dat die schuld moet worden ingelost, dan moeten wij alles in het werk stellen om deze schuld te vereffenen. Mocht dat om de een of andere reden niet gelukken dan moeten wij de relatie met de schuldeiser goed zien te maken of te houden zodat hij onze welwillendheid proeft. Het kan anders maar zo gebeuren dat de schuldeiser ons voor de rechter sleept en volgens de woorden van de Heere Jezus zelfs in de gevangenis werpt. Hij voegt daaraantoe dat we niet uit de gevangenis zullen komen voordat de hele schuld betaald zal zijn.

 

Wat een les voor ons, om in goede harmonie te leven met de mensen om ons heen. Persoonlijk spreekt dit onderwerp mij aan omdat ik weet wat het is om een schuldeiser te hebben die druk uitvoert waardoor het leven soms erg moeilijk kan zijn. Ondertussen zijn wij als gezin van mening dat we ernaar moeten streven om nooit schuld te maken. Schuld maken betekent gebondenheid en die gebondenheid kan ons tot slaven maken van de schuldeiser. In de tijd van de Bijbel leefde het volk Israël met Gods rechtvaardige wetten en daar werd het volk onderwezen om niet te lenen bij de goddelozen maar alleen bij de broeder. De broeder mocht ook niet woekeren van zijn broeder, dus geen rente vragen en iedere zeven jaar was er een jaar van vrijlating waarbij de schuld verviel. Als het volk zo leefde zou God hen rijk zegenen. Lieve vrienden, wat een zegen zou het zijn als wij zo volgens deze rechtvaardige wetten met elkaar om zouden gaan. Wat zouden wij Zijn zegen genieten en niemand van ons zou gebukt gaan onder een ondragelijke schuld.

 

Het is eenieder aan te raden om eerst goed na te denken en in het gebed te overwegen of wij ons in de schulden willen steken bij de onrechtvaardige mammon. Wij kopen zo gemakkelijk een huis met geleend geld van de bank, en menig gezin gaat nu gebukt omdat om de een of andere reden de schuld is opgelopen of de lasten niet betaald kunnen worden. Wij moesten als gezin ons huis verkopen omdat wij ervoor kozen om de stem van de Heere te gehoorzamen in de roeping waarmee Hij ons heeft geroepen om als Evangelist in Zijn wijngaard te arbeiden. Dit bracht met zich mee dat het huis verkocht werd tegen een te lage prijs en de bank ons in de nek hijgt totdat wij de laatste cent betaald hebben. Het heeft ons geleerd om niet meer te lenen en te leven van het dagelijks brood dat Hij ons geeft. Soms hebben we een dag geen brood en de volgende dag hebben we overvloed. Het vertrouwen op God is nooit beschaamd en het leven in afhankelijkheid van God onze Vader is een weg die de rijkdom van de wereld te boven gaat. Het maakt ons klein, afhankelijk en leert ons om dagelijks onze zorg op Hem te werpen. Het geloof wordt vaak bestreden maar geoefend en versterkt door de wonderlijke uitreddingen.

 

Het onderwijs van de Heere Jezus in het goedmaken met onze wederpartij of tegenpartij heeft ook een diepere inhoud dan alleen op het financiële terrein. De geschiedenis van David met Nabal leert ons een diepe les.

 

 

Nabal is een rijke boer met heel veel vee. Nabal had een mooie en wijze vrouw terwijl hijzelf hard en slecht was. Toen de herdersjongens van Nabal bij David waren hebben zij het goed gehad, de mannen van David hebben hen geen kwaad gedaan, ook niets van hen genomen maar hen juist beschermd. Nu Nabal een schaapscheerdersfeest houdt stuurt David tien van zijn knechten naar het feest om Nabal dit te vertellen en tevens een soort vrijwillig geschenk in ontvangst te nemen voor deze weldaden. Maar in plaats van dankbaarheid, ontmoeten de knechten spot en afwijzing. Nabal noemt David een scheurmaker en geeft te kennen dat hij zijn brood, water en vlees wel beter kan benutten dan het aan David te geven.

 

David wordt woedend, neemt zo ongeveer vierhonderd gewapende mannen met zich en gaat op weg om Nabal en al zijn mannen te doden. Ondertussen gaat er een jongeman naar Abigaïl de vrouw van Nabal en vertelt hoe goed zij behandeld zijn door David en zijn knechten en hoe Nabal gereageerd heeft. Ook verteld hij dat David nu op weg is om Nabal en zijn mannen uit te roeien. Abigaïl neemt tweehonderd broden, twee leren zakken wijn, vijf toebereide schapen, vijf maten geroost koren, honderd rozijnenkoeken en tweehonderd klompen vijgen die ze op ezels legt en met haar jongens richting David stuurt. Zelf trekt zij op haar ezel David tegemoet en als zij hem ziet dan valt zij voor David op de grond en buigt zich terwijl zij het volgende zegt: ‘Och, mijn heer, mijne zij de misdaad, en laat toch uw dienstmaagd voor uw oren spreken, en hoor de woorden uwer dienstmaagd, 1 Sam. 25:24.’ Wat een contrast tussen deze vrouw en haar man. Ze vervolgt door David te zeggen hoe dwaas haar man is en ook dat de Heere David nu verhindert om bloed te vergieten. Zij smeekt om vergeving en zegent David met de volgende woorden: ‘Vergeef toch aan uw dienstmaagd de overtreding, want de HEERE zal zekerlijk mijn heer een bestendig huis maken, dewijl mijn heer de oorlogen des HEEREN oorloogt, en geen kwaad bij u gevonden is van uw dagen af. Wanneer een mens opstaan zal om u te vervolgen, en om uw ziel te zoeken, zo zal de ziel mijns heren ingebonden zijn in het bundeltje der levenden bij den HEERE, uw God; maar de ziel uwer vijanden zal Hij slingeren uit het midden van de holligheid des slingers, 1 Sam. 25:28,29.’ David neemt haar gebed en zegeningen aan, ontvangt de geschenken en stuurt deze wijze vrouw terug terwijl hij haar zegent met de vrede.

 

Eén wijze vrouw, spaart hier het leven van velen, door haar knieën te buigen en de schuld van haar dwaze man op zich te nemen. David wordt gespaard voor bloedvergieten en de HEERE Zelf strijd voor hem door het leven van Nabal te nemen. Abigaïl wordt de vrouw van David. Hoe wonderlijk zijn Gods wegen. Een mooi detail is dat de zegenende woorden van Abigaïl tot op vandaag te lezen staat op vele grafstenen van gestorven Joden. De Hebreeuwse letters ת'נ'צ'ב'ה (T.N.Ts.B.H.) gegraveerd in steen betekenen: “Moge zijn ziel gebonden zijn in de bundel der levenden” Lieve vrienden, dat is ook de wens van mijn hart voor u.

 

Bent u als de dwaze Nabal of als de wijze Abigaïl? Verharden wij ons in het kwaad of buigen wij onze knieën voor de meerdere David in schuldbelijdenis en overgave? Wij allen hebben gezondigd en verdienen niet anders dan de dood. Maar het onderwijs van de Heere Jezus leert ons dat wij nu, nu het nog kan, ons moeten verzoenen met onze tegenpartij. Zolang wij nog leven in de zonde, is God onze tegenpartij. Zonde is doelmissen en dat kan op vele manieren, van uiterst goddeloos in uitspattingen van ongerechtigheid tot uiterst vroom waarbij wij de schijn ophouden netjes en oprecht te leven. Zolang wij niet verzoend zijn met God de Vader, door het bloed van Zijn Zoon, is alles zonder God en zonder hoop. Daarom, roepen wij met Paulus: ‘Zo zijn wij dan gezanten van Christus wege, alsof God door ons bade; wij bidden van Christus wege: laat u met God verzoenen, 2 Kor. 5:20.’ Nog is de deur van redding open, straks wordt zij gesloten. ‘Zoekt den HEERE, terwijl Hij te vinden is; roept Hem aan, terwijl Hij nabij is. De goddeloze verlate zijn weg, en de ongerechtige man zijn gedachten; en hij bekere zich tot den HEERE, zo zal Hij Zich Zijner ontfermen, en tot onzen God, want Hij vergeeft menigvuldiglijk, Jes. 55:6,7.’ Er is overvloeiende genade, niemand kan zeggen dat er geen gekruiste Christus voor hem of haar is, o zie dan toch die liefde in Christus, Die gezegd heeft: “Komt tot Mij”. Laat niets of niemand u verhinderen te gaan tot Hem, Hij zal u verzoenen met God de Vader en in Hem zult u eeuwig leven. Als u deze stem hoort, verhardt u dan niet maar laat u leiden. Het is mijn hartelijke wens dat u door deze weg mag weten; “gebonden te zijn in de bundel der levenden” voordat het te laat is. Zodat u niet een wens heeft, maar, met Job een zeker weten dat uw Verlosser leeft! Amen.        

Wilco Vos Veenendaal 18-09-2017