M41 Van onwil tot overgave

09-10-2015 08:35

‘Wij dan, wetende den schrik des Heeren, bewegen de mensen tot het geloof, 2 Kor. 5:11a.’

 

Eens was Paulus een farizeeër, vol ijver om hen te vervolgen, die geloofden in de gekruiste Christus. Gods genade opende zijn ogen voor de blinde dwaasheid en zijn duivelse ijver waarmee hij de Zaligmaker en Zijn volgelingen vervolgde. Zijn harde hart vol ijver zonder verstand werd een hart vol liefde voor de Heiland en hij wenste geen andere Naam te prediken dan de Naam van Jezus. Hij besefte hoe Gods genade alleen de bron van alle troost kon zijn. Niet de ijver van ons mensen, niet het streven naar perfectie, niet het strijden voor God maar het buigen, het aanbidden en het ontvangen van Zijn genade door het geloof alleen. De strijder voor de wet werd een prediker van het geloof. Nu zag Paulus dat die heilige, rechtvaardige en goede wet van God nooit de weg tot de zaligheid kon zijn maar dat die Weg geopend is in de Heere Jezus Christus, de van God gezonden Messias. Nu kon ook hij met David zeggen, hoe lief heb ik Uw wet. Hij zag hoe de profetieën rond de Messias in vervulling zijn gegaan, ja Jezus was gekomen om de wet te vervullen. Nu ademde de wet ook voor Paulus geen veroordeling meer maar vanuit de zalige rust in Christus gehoorzaamde hij de stem van Zijn God en Vader die tot hem klonk in de wet en de profeten.

 

In de prediking van Paulus stelt hij de mens voor als zondig, vijandig tegenover God en daardoor verloren in een schuld die geen mens ooit goed kan maken. De mens die doet wat recht is zijn eigen oog moet weer in een rechte staat met God komen. De mens moet gerechtvaardigd worden, de schuld moet weggedaan. Er moet een middelaar komen om deze twee partijen weer met elkaar te verzoenen. Wat een wonder, het is de wil van God dat de mens zalig wordt. ‘Want dat is goed en aangenaam voor God, onzen Zaligmaker; Welke wil, dat alle mensen zalig worden, en tot kennis der waarheid komen. Want er is een God, er is ook een Middelaar Gods en der mensen, de Mens Christus Jezus; Die Zichzelven gegeven heeft tot een rantsoen voor allen, zijnde de getuigenis te zijner tijd, 1 Tim. 2:3-6.’

 

De Middelaar is gekomen, Hij de Zoon van God heeft Zijn leven gegeven in de plaats van de zondaar. ‘Want God was in Christus de wereld met Zichzelven verzoenende, hun zonden hun niet toerekenende; en heeft het woord der verzoening in ons gelegd. Zo zijn wij dan gezanten van Christus wege, alsof God door ons bade; wij bidden van Christus wege: laat u met God verzoenen. Want Dien, Die geen zonde gekend heeft, heeft Hij zonde voor ons gemaakt, opdat wij zouden worden rechtvaardigheid Gods in Hem, 2 Kor. 5:19-21.’ Is het een wonder dat Paulus, die inzag dat er buiten deze Jezus geen leven te vinden is, vol ijver de blijde Boodschap van redding en genade in Christus Jezus predikte? In het kort klonk Zijn boodschap: ‘Mensen stop met het leven zoeken daar waar het niet te vinden is, stop met uw goddeloze weg die zal eindigen in de rampzaligheid, bekeert u tot God, belijd uw zonden en leef door het geloof in de gekruiste en opgestane Levensvorst. Er is buiten Jezus geen leven, door het geloof wordt u één met Hem. U mag geloven gestorven en begraven te zijn, al het oude is voorbij, alles is nieuw geworden. Nu geen leven meer in de zonde en de wereld maar een dienend leven waarin de Naam van God verheerlijkt wordt.”

 

Nu weet ik dat er velen zullen zijn die geen behoefte hebben aan dit nieuwe leven, zo was het ook in de dagen dat Jezus op deze aarde wandelde. Hij riep het uit: ‘Jeruzalem, Jeruzalem! gij, die de profeten doodt, en stenigt, die tot u gezonden zijn! hoe menigmaal heb Ik uw kinderen willen bijeenvergaderen, gelijkerwijs een hen haar kiekens bijeenvergadert onder de vleugels; en gijlieden hebt niet gewild, Matth. 23:37.’ Tot deze onwilligen klinkt Zijn niet mis te verstane boodschap door in de gelijkenissen: ‘Doch deze mijn vijanden, die niet hebben gewild, dat ik over hen koning zoude zijn, brengt ze hier, en slaat ze hier voor mij dood, Luk. 19:27.’ Lieve vrienden, denk dan vandaag nog eens na, besef dat dit leven spoedig zal eindigen, ook voor u komt het moment dat u geoordeeld zult worden over alles wat u gedaan hebt. Verschrikkelijk zal dat zijn als u geleefd hebt zonder ooit de aangeboden zaligheid in de Heere Jezus Christus, te hebben omhelsd.

 

“Ja maar, ik kan mijzelf niet bekeren, ik roep al zolang om een nieuw hart. Als ik bedenk te sterven dan krijg ik het benauwd, o ik hoop dat God mij nog genadig zal zijn.” “Als ik roep lijkt de hemel wel gesloten, ik weet dat ik gezondigd heb, maar wat ik ook probeer het wordt nooit beter. Ik bid of de Heere mij wilt bekeren maar het blijft alles zo duister, o wat een benauwdheid.” Lieve vrienden, wat een worsteling klinkt er door in deze woorden. Er zijn wat mensen, die als ze nadenken over het uur van sterven, benauwd worden en weten dat ze zo niet voor God kunnen verschijnen. Ze weten dat God een verterend vuur is en een gloed bij Wie niemand wonen kan (Jes. 33:14). Ze weten dat zij gezondigd hebben en weten dat er iets moet gebeuren in hun leven. Deze wetenschap is waar en het is verschrikkelijk dat deze waarheid door zo weinig mensen gelooft wordt. Velen halen hun schouders op en leven alsof er geen God en geen eeuwigheid is. Maar nu lieve vrienden, het is zeker zo erg als u bang bent voor de dood, een heilig ontzag hebt voor God maar tegelijk geen geloof hecht aan Zijn Woord. U roept om bekering, u zucht om een nieuw hart en verlangt naar een wonder. Toch neemt u God niet serieus als Hij u duidelijk maakt dat Hij niet verlangt naar uw dood en veroordeling. ‘Zou Ik enigzins lust hebben aan den dood des goddelozen, spreekt de Heere HEERE; is het niet, als hij zich bekeert van zijn wegen, dat hij leve? Ezech. 18:23.’ God ziet met eerbied gesproken hoe de mensen al stervend verloren gaan en roept: ‘Want Ik heb geen lust aan den dood des stervenden, spreekt de Heere HEERE; daarom bekeert u en leeft, Ezech. 18:32.’

 

Ziet u dat het niet God is die de mens als een stok en een blok verloren laat gaan maar oproept en aanspoort tot bekering en geloof. ‘De Heere vertraagt de belofte niet (gelijk enigen dat traagheid achten), maar is lankmoedig over ons, niet willende, dat enigen verloren gaan, maar dat zij allen tot bekering komen, 2 Petr. 3:9.’ God heeft Zijn Zoon niet gezonden om de wereld te veroordelen maar om te behouden. ‘Welke wil, dat alle mensen zalig worden, en tot kennis der waarheid komen, 1 Tim. 2:4.’ Deze wetenschap en dit vaste geloof spoorde Paulus aan om de mensen als het ware te overtuigen tot het geloof. ‘En hij handelde op elken sabbat in de synagoge, en bewoog tot het geloof Joden en Grieken, Hand. 18:4.’ Op een andere plaats lezen wij: ‘En hij ging in de synagoge, en sprak vrijmoediglijk, drie maanden lang met hen handelende, en hun aanradende de zaken van het Koninkrijk Gods, Hand. 19:8.’ Paulus, gedreven door de Heilige Geest, vervult met de liefde van Christus en de wetenschap dat zielen buiten Hem verloren gaan kreeg de kracht om deze blijde Boodschap vol overtuiging te brengen. ‘En als zij hem een dag gesteld hadden, kwamen er velen tot hem in zijn woonplaats; denwelken hij het Koninkrijk Gods uitlegde, en betuigde, en poogde hen te bewegen tot het geloof in Jezus, beide uit de wet van Mozes en de profeten, van des morgens vroeg tot den avond toe, Hand. 28:23.’ Eigenlijk zien wij hier de getrouwe dienstknecht uit de gelijkenis van de Heere Jezus om te nodigen tot de maaltijd. ‘En de heer zeide tot den dienstknecht: Ga uit in de wegen en heggen; en dwing ze in te komen, opdat mijn huis vol worde, Luk. 14:13.’

 

Lieve vrienden, ook vandaag komt tot u de dringende oproep om uzelf niet langer wijs te maken dat u verloren gaat omdat God niet naar u omziet. Nee, zie niet langer op uzelf, luister niet naar de leugens van de boze maar hoor naar de stem van onze Heiland. ‘Bekeert u, en gelooft het Evangelie, Mark. 1:15.’ Het is Zijn bevel dat wij ons bekeren en geloven in Zijn Evangelieboodschap. ‘Jezus zeide tot hem: Ik ben de Weg, en de Waarheid, en het Leven. Niemand komt tot den Vader, dan door Mij, Joh. 14:6.’ Er is echt geen andere weg tot God dan door Zijn Zoon. Allen die belijden te geloven in God en niet belijden dat Jezus Christus Zijn Zoon is, die zijn antichristen (1 Joh 4). Zij die menen God te kunnen dienen zonder te geloven dat Jezus Christus hun persoonlijke Zaligmaker is, die bedriegen zichzelf. Het is God de Vader Die zondaren trekt door Zijn Woord en Geest. Hij brengt hen als het ware aan de voet van het kruis waar zij hun zonden belijden en hun Heere en Zaligmaker omhelzen. Daar in het geloof ontvangen zij het eeuwige leven. ‘Voorwaar, voorwaar zeg Ik u: Die in Mij gelooft, heeft het eeuwige leven, Joh. 6:47.’ Wat doet u met het Woord van God, bukt u of volhardt u? Gelooft of verwerpt u de u aangeboden zaligheid?

 

Misschien zijn er die zeggen; “Zo gemakkelijk gaat het niet, u gaat voorbij aan Gods verkiezing.” ‘Zo is het dan niet desgenen, die wil, noch desgenen, die loopt, maar des ontfermenden Gods, Rom. 9:16.’

Meent u dat Gods verkiezing dan staat tegenover Zijn bevel van bekering en geloof? Is het dan zo dat God Zich in het Woord openbaart als een God die geen lust heeft in de dood van de goddelozen maar in hun behoud, hen oproept tot bekering en tegelijk als het ware de deur van Zijn genade gesloten houdt? Nee! God openbaart Zichzelf als de bron van liefde en tegelijk als Die rechtvaardige God Die verloren laat gaan allen die zich niet door Zijn Zoon tot Hem keren. Hij nodigt en allen die tot Hem komen zullen het leven vinden. ‘En Jezus zeide tot hen: Ik ben het Brood des levens; die tot Mij komt, zal geenszins hongeren, en die in Mij gelooft, zal nimmermeer dorsten, Joh. 6:35.’

 

De tekst waarin de wil van de mens ondergeschikt is aan de ontfermingen van God, staat in directe context van de verkiezing van het volk Israël. Waarom verkoos God dat volk? Waarom heeft hij Jakob meer lief gehad dan Ezau? Waarom nu Jakob en niet Ezau als de vader van het volk Israël? Waarom liet God toe dat Farao zijn hart bleef verharden, waarom verbrak God het hart van Farao niet? Lieve vrienden, wie zijn wij om deze vragen te stellen aan de Almachtige God (Rom. 9:20)? Paulus trekt de vergelijking door naar de pottenbakker die macht heeft om te doen met het leem dat hem behaagt. God heeft in Zijn raad besloten dat allen die Zijn genadegift aannemen (Rom 6:23 / Joh. 1:12), het eeuwige leven ontvangen. Het is niet aan ons om daar iets van te vinden. Wij mogen ons gehoorzaam onderwerpen en allen die dat doen ontvangen eeuwig leven. Zij die hun mening of die van een mens belangrijker vinden dan het Woord van God, zullen voor eeuwig omkomen.

 

In deze context van vragen stellen aan God, commentaar leveren op Zijn besluit en het leven zoeken in iets buiten Christus, lezen wij de volgende tekst. ‘Gelijk geschreven is: Ziet, Ik leg in Sion een steen des aanstoots, en een rots der ergernis; en een iegelijk, die in Hem gelooft, zal niet beschaamd worden, Rom. 9:33.’ Stoten wij ons aan deze steen of is dat de vaste rots van ons behoud?

 

Jezus Christus is voor de één het leven en voor de ander een aanstoot en een ergernis. Als u met uw doen en laten uw zaligheid wil verdienen dan zult u zich stoten aan deze steen. Als u tot God roept om bekering en Zijn Woord ongehoorzaam blijft en niet wil zien dat Hij Zijn Zoon gezonden heeft met het bevel Hem te geloven, dan zult ook u zich stoten. Leg u dan vandaag nog neer, roep het uit: “Heere ik heb zolang het leven gezocht daar waar het niet te vinden is, hier ben ik, ik belijd mijn zonden en mijn eigenwijze ongeloof. U gaf Uw Zoon opdat ik leven zou, hier ben ik, ik geloof o Heere, kom mijn ongelovigheid te hulp. Vergeef mij al mijn zonden en leer mij leven in het geloof opdat mijn leven is tot eer van u.” ‘Doch zo het kwaad is in uw ogen den HEERE te dienen, kiest u heden, wien gij dienen zult; hetzij de goden, welke uw vaders, die aan de andere zijde der rivier waren, gediend hebben, of de goden der Amorieten, in welker land gij woont; maar aangaande mij, en mijn huis, wij zullen den HEERE dienen! Joz. 24:15.’

 

Lieve broeders en zusters, Wat een zegen om te mogen weten dat Gods verkiezende liefde ons opzocht. ‘Ik ben gevonden van hen, die naar Mij niet vraagden; Ik ben gevonden van degenen, die Mij niet zochten; tot het volk, dat naar Mijn Naam niet genoemd was, heb Ik gezegd: Ziet, hier ben Ik, ziet, hier ben Ik, Jes. 65:1.’ Wij waren zonder Christus in de wereld en nu mogen wij Hem kennen als onze Heere en Heiland. Hij heeft ons gewassen, gereinigd en overkleed met de mantel der gerechtigheid. O wie zal ooit de diepte van deze liefde kunnen beschrijven? ‘Hierin is de liefde Gods jegens ons geopenbaard, dat God Zijn eniggeboren Zoon gezonden heeft in de wereld, opdat wij zouden leven door Hem, 1 Joh. 4:9.’ Opdat wij zouden leven, leven, ja eeuwig leven in de Zoon van God, kom broeders en zusters laten wij met broeder Paulus onze krachten inzetten in de dienst van onze Heere. Laten wij groot spreken van God onze Zaligmaker, Jezus verheerlijken in onze gesprekken en er voor waken om de blijde Boodschap te verminken of te vervuilen door af te wijken van het eenvoudige Woord van onze God. ‘En wij hebben gekend en geloofd de liefde, die God tot ons heeft. God is liefde; en die in de liefde blijft, blijft in God, en God in hem, 1 Joh. 4:16.’

 

Vaste Rots van mijn behoud,

als de zonde mij benauwt,

laat mij steunen op Uw trouw,

laat mij rusten in Uw schaûw,

waar het bloed door U gestort,

mij de Bron des Levens wordt.

 

Jezus, niet mijn eigen kracht,

niet het werk door mij volbracht,

niet het offer dat ik breng,

niet de tranen die ik pleng,

schoon ik ganse nachten ween,

kan slechts redden, Gij alleen.

 

Zie, ik breng voor mijn behoud

U geen wierook, mirr' of goud.

Moede kom ik, arm en naakt,

tot de God, Die zalig maakt,

Die de arme kleedt en voedt,

Die de zondaar leven doet.

 

Eenmaal als de stonde slaat,

dat dit lichaam sterven gaat,

als mijn ziel uit d' aardse woon'

opklimt tot des Rechters troon,-

Rots der eeuwen, in Uw schoot

berg mijn ziele voor de dood.

 

Wilco Vos Veenendaal 06-10-2015