M47 De schuilplaats

22-11-2012 19:14

‘Die in de schuilplaats des Allerhoogsten is gezeten, die zal vernachten in de schaduw des Almachtigen Psalm 91:1.’

 

Als we op het moment dat ik dit schrijf naar Israël zouden gaan, zouden we binnen de kortst mogelijke tijd ervaren hoe levensbelangrijk een schuilplaats is. Vele mensen weten dat zij nog leven omdat zij een schuilplaats vonden in een tijd dat de bommen of raketten om hen heen neervielen. Wie zal de angst kunnen beschrijven van hen die vluchten voor inslagen en vlammen? Wat een dood en verderf is er gekomen in deze wereld en dat alles door de zonden. Hoe verschrikkelijk moet toch die zonde zijn in het oog van een alziend God.

 

En toch wat zijn deze bominslagen en wat zijn deze vlammen vergeleken bij de vlammen die straks de aarde zullen verbranden? ‘Maar de dag des Heeren zal komen als een dief in den nacht, in welken de hemelen met een gedruis zullen voorbijgaan, en de elementen branden zullen en vergaan, en de aarde en de werken die daarin zijn, zullen verbranden, 2 Petr. 3:10.’ Straks, nog even, en de fiolen van Gods toorn zullen worden uitgegoten (Openb. 16:1). Wat zal dat zijn. ‘Met vlammend vuur wraak doende over degenen die God niet kennen, en over degenen die het Evangelie van onzen Heere Jezus Christus niet gehoorzaam zijn, 2 Thess. 1:8.’

 

Wat zal het er dan op aan komen of wij geborgen zijn in de schuilplaats des Allerhoogsten.

 

We zullen eerst stilstaan bij wat die schuilplaats precies is. Zoals we weten is God rechtvaardig en kan Hij geen gemeenschap hebben met de zonde. Een mens die gezondigd heeft moet de dood sterven.  Wij allen zonder uitzondering hebben gezondigd en zijn daarmee doodschuldig. Geen mens kan daar iets tegen inbrengen of deze schuld wegnemen. Nu heeft God in Zijn onbegrijpelijke goedheid gezorgd voor een Middel ter verzoening. Om het in beeldspraak te zeggen, wij hebben een muur gemetseld en kunnen nooit meer bij God komen. Maar wonder van genade, God Zelf heeft voor de Deur gezorgd. ‘Ik ben de Deur; indien iemand door Mij ingaat, die zal behouden worden; en hij zal ingaan en uitgaan, en weide vinden, Joh. 10:9.’ Jezus Christus, Gods Zoon is de Deur. Hij is gekomen, gezonden door de Vader. Heeft Zijn heerlijkheid afgelegd, is ons in alles gelijk geworden en dat zonder zonde. Hij de Heerlijke, de Heilige, de eniggeborene van de Vader kwam en is tot zonde gemaakt. Hij nam vrijwillig al onze schuld en straf op Zich. Hij droeg de volle toorn van God, daar op het kruis van Golgotha. ‘Vader vergeef het hun, want zij weten niet wat zij doen, Luk. 23:34’ Zo klonk Zijn bede. Zijn dood is het leven geworden voor allen die bij Hem hebben leren schuilen. Zijn stem klinkt nu nog even helder als 2000 jaar geleden. ‘Komt herwaarts tot Mij, allen die vermoeid en belast zijt, en Ik zal u rust geven, Matth. 11:28.’  Allen die tot Hem komen, vinden rust. ‘En die Man zal zijn als een verberging tegen den wind en een schuilplaats tegen den vloed; als waterbeken in een dorre plaats, als de schaduw van een zwaren rotssteen in een dorstig land, Jes. 32:2.’

 

Heeft u die rust al gevonden, of wordt u nog opgejaagd door uw geweten of geleid door de begeerlijkheden van deze wereld? Weet dan dat de toorn van God u boven uw hoofd hangt. Nog even en u zult voor eeuwig pijn lijden in het helse vuur, waar nooit verkwikking meer zijn zal. En toch, ook tot u, ja juist tot u o zondaar komt de oproep, kom tot deze Schuilplaats. Stel het niet langer uit want wie weet wat er morgen is? Wat zijn alle pleziertjes van deze wereld in het licht van de eeuwige rampzaligheid? Wat is het schijnlicht en de schijnvreugde van deze wereld in vergelijking met het licht en de vreugde in het hart van allen die God hebben lief gekregen? In deze schuilplaats vindt men werkelijk rust. Een rust die met geen pen te beschrijven is. ‘Gij zijt mijn Schuilplaats en mijn Schild, op Uw woord heb ik gehoopt, Ps. 119:114.’ Zoals een kuikentje schuilt bij haar moeder, zo schuilt een kind van God. ‘Want Gij zijt mij een Hulp geweest, en in de schaduw Uwer vleugelen zal ik vrolijk zingen, Ps. 63:8.’ Wie zal deze vrolijkheid verstoren?

 

Jezus Christus alleen is de schuilplaats tegen de toorn van God, tegen ons geweten en tegen de wereld en satan.

 

De toorn van God over de zonden is een feit, wij zouden dit kunnen verbloemen en u een goedkoop evangelie kunnen verkondigen maar het is geen ‘vrede, vrede zonder gevaar’, zoals we van zoveel kanten horen. God laat niet met Zich spotten. ‘Want wanneer zij zullen zeggen: Het is vrede en zonder gevaar, dan zal een haastig verderf hun overkomen, gelijk de barensnood een bevruchte vrouw , en zij zullen het geenszins ontvlieden, 1 Thess. 5;3.’ U en ik wij hebben de dood verdiend. ‘Dat u niemand verleide met ijdele woorden; want om deze dingen komt de toorn Gods over de kinderen der ongehoorzaamheid, EF. 5:6.’ Wij hebben de toorn van God over ons heen gehaald. Nu zal geen werk van ons daar ooit verandering in kunnen brengen. Goddelijke genade alleen maakt dat allen die geloven, niet hoeven te vrezen. ‘Die in den Zoon gelooft, die heeft het eeuwige leven; maar die den Zoon ongehoorzaam is, die zal het leven niet zien, maar de toorn Gods blijft op hem, Joh. 3:36.’ Het is of in Jezus behouden of buiten Jezus verloren. ‘Doch dengene die niet werkt, maar gelooft in Hem Die den goddeloze rechtvaardigt, wordt zijn geloof gerekend tot rechtvaardigheid, Rom. 4:5.’ Het geloof in de Heere Jezus Christus, dat schuilen bij Hem, de schuilplaats, is ons leven. Er is geen andere weg. Er is geen ander evangelie. Jezus, en Jezus alleen. Zie de wonden in Zijn handen, dat is het teken van uw vrijkoping. ‘ Zie, Ik heb u in de beide handpalmen gegraveerd, Jes. 49:16a.’ Wat een heerlijke blijde boodschap. Een kuikentje dat bij haar moeder schuilt, kunnen wij niet zien. Wij zien alleen de moeder kip, en diep, veilig onder haar vleugels zit het kleintje. Nu, zo is het ook met allen die schuilen bij Christus. God de Vader ziet geen zondaar meer maar ziet Zijn geliefde Zoon. O wat een wonder. Geborgen in Christus, te mogen zeggen: ‘Ik ben met Christus gekruist; en ik leef, doch niet meer ik, maar Christus leeft in mij; en hetgeen ik nu in het vlees leef, dat leef ik door het geloof des Zoons Gods, Die mij liefgehad heeft en Zichzelven voor mij overgegeven heeft, Gal. 2:20.’ Om nu te mogen geloven dat onze oude mens gestorven en begraven is, de zonde gedood en nu levend in Christus Jezus onze Heere. ‘Alzo ook gijlieden, houdt het daarvoor, dat gij wel der zonde dood zijt, maar Gode levend zijt in Christus Jezus, onzen Heere, Rom. 6:11.’ O, wat een bron van vreugde, wat een kracht om te leven tot eer van Zijn grote Naam. Veilig bij Hem die ons heeft liefgehad. ‘Zo is er dan nu geen verdoemenis voor degenen die in Christus Jezus zijn, die niet naar het vlees wandelen, maar naar den Geest, Rom. 8:1.’ Geen verdoemenis, geen toornend God, maar een liefhebbend Vader in de hemel. Hoor hoe Hij spreekt over hen die schuilen onder Zijn vleugelen. ‘Geheel zijt gij schoon, Mijn vriendin, en er is geen gebrek aan, Hoogl. 4:7.’

 

‘Zalig is de man welken de Heere de zonde niet toerekent, Rom. 4:8.’ In deze wetenschap hebben allen die bij Hem schuilen een stil en gerust geweten. Een stille verwondering vervult het hart van allen die weten geborgen te zijn in deze schuilplaats. “Waarom Heere, Waarom zocht U mij op?” Zoveel liefde tegenover zoveel ontrouw. Dat maakt klein en geeft grote heerlijke gedachten van onze Zaligmaker. Zodat het Woord der Waarheid, waarheid wordt. ‘Hij moet wassen, maar ik minder worden, Joh. 3:30.’ Zijn Glorie gaat steeds meer schitteren en het verlangen in het hart om alleen nog maar voor Hem te leven wordt steeds meer. Juist de wetenschap, behouden te zijn, de wetenschap een Voorbidder in de hemel te hebben en een liefhebbend Vader die nooit meer op ons zal toornen, geeft kracht, moed, blijdschap en een verlangend uitzien naar de dag dat Jezus komt. Het geweten is stil en gerust. Er is geen knagende worm die ons steeds aanklaagt. Is dit dan altijd zo? Nee, ook zij die duur gekocht zijn, vallen maar al te vaak in ongeloof. Zij raken verstrikt in zorg en wijken af van hun hemelse Vader. Het vreugdevuur in het hart wordt langzaam minder en dan, als alles voorbij lijkt te zijn ontbrand het verlangen naar gemeenschap met hun Heere en Zaligmaker. Wat een pijnlijke ondervinding als dan het verlangen niet direct bevredigd wordt. Wat een troost, wat een heerlijke vreugde vervult dan het hart als zij door Woord en Geest weer terug mogen komen bij het kruis van Golgotha. Daar waar Jezus stierf, daar werd hun schuld betaald. Als het geloof dan weer opnieuw het hart vervuld is er de vaste overtuiging om nooit, nooit meer achter Jezus weg te gaan. Juist tot hen die hebben leren schuilen, komt de oproep. Blijft in Mij (Joh. 15). Waarom die schuilplaats verlaten? Waarom leven te midden van dood en het verderf? Hoe meer wij leren schuilen bij Jezus alleen, hoe meer wij vrede ontvangen in ons hart.

 

Nu jaagt de dood geen angst meer aan, want alles, alles is voldaan; Wie in geloof op Jezus ziet, die vreest voor dood en duivel niet. ‘Dood, waar is uw prikkel? Hel (graf, in de grondtaal), waar is uw overwinning? 1 Kor. 15:55.’ Christus heeft getriomfeerd over dood en graf. Hij is de overwinnaar en ‘in dit alles zijn wij meer dan overwinnaars, door Hem Die ons liefgehad heeft,  Rom. 8:37.’ De dood is voor hen die schuilen geen dood meer maar een doorgang tot het eeuwige leven. Het graf is geheiligd en een rustplaats geworden tot op het moment dat Jezus komt. O wat een zoete vrede door het zoenbloed van onze Zaligmaker, de Heere Jezus Christus. Kom, vrienden verblijd u in de Heere, weest vrolijk voor het aangezicht van onze Heere en maakt Hem groot.

 

Deze schuilplaats is ook een schuilplaats tegen het geweld van de wereld en de duivel. Allen die Jezus hebben lief gekregen, zijn er achter gekomen dat de wereld hen niet begrijpt. Zij leren steeds meer inzien dat satan hier regeert en alles op alles zet om de zoete gemeenschap tussen de mens en God te blussen of te voorkomen. Hij stelt alles in het werk met het ene doel, dat zij die geloven niet vruchtbaar zullen zijn. Hij weet maar al te goed dat hij ze niet meer uit de hemel kan houden. Hij heeft in die zin verloren en toch, als hij de hemel uit het hart van Gods kind weet te houden dan heeft hij zijn doel bereikt. Als hij ze weet te verleiden en te verstrikken in de zorg van deze wereld dan zijn zij niet vruchtbaar voor het Koninkrijk van God. De satan komt met zijn verzoekingen en richt al zijn vurige pijlen op hen die Jezus hebben lief gekregen. Maar al te vaak moeten zij ondervinden dat het leven op deze aarde een pelgrimsleven is. ‘Ik ben mijn broederen vreemd geworden, en onbekend aan mijner moeders kinderen, Ps. 69:9.’ Zij die het dichtste bij staan, geven vaak het meest verdriet. Zij volharden vaak in het ongeloof evenals de broers van de Heere Jezus. ‘Want ook Zijn broeders geloofden niet in Hem, Joh. 5:7.’ De mensen die rondom Hem hadden geleefd moesten niets hebben van Zijn Evangelische Waarheid. ‘En zij werden aan Hem geërgerd. Maar Jezus zeide tot hen: Een profeet is niet ongeëerd dan in zijn vaderland en in zijn huis, Matth. 13:57.’ Wat een pijn en wat een verdriet, en tegelijk wat een troost voor ons die vaak deze zelfde weg moeten gaan. ‘En Zijn hand uitstrekkende over Zijn discipelen, zeide Hij: Zie, Mijn moeder en Mijn broeders. Want zo wie den wil Mijns Vaders doet, Die in de hemelen is, dezelve is Mijn broeder en zuster en moeder, Matth. 12:49,50.’ Jezus heeft dit alles geweten, Hij is ons in alles gelijk geworden en dat zonder zonde. Hij weet wat verdriet en pijn is. Hij heeft deze weg niet voor ons verzwegen. ‘Het zij den discipel genoeg dat hij worde gelijk zijn meester, en de dienstknecht gelijk zijn heer. Indien zij den Heere des huizes Beëlzebul hebben geheten, hoeveel te meer Zijn huisgenoten! Matth. 10:25.’ Maar kom het hoofd omhoog, wij hebben de schuilplaats gevonden. ‘In God zal ik Zijn woord prijzen; ik vertrouw op God, ik zal niet vrezen; wat zou mij vlees doen? Ps. 56:5.’ Hij is altijd met ons, Zijn liefde omringt ons. ’De HEERE is bij mij, ik zal niet vrezen; wat zal mij een mens doen? Ps. 118:6.’

 

Als satan zijn vurige pijlen op ons afschiet mogen wij toch weten, veilig en geborgen te zijn. ‘En de Heere zeide: Simon, Simon, zie, de satan heeft ulieden zeer begeerd om te ziften als de tarwe; Maar Ik heb voor u gebeden, dat uw geloof niet ophoude; en gij, als gij eens zult bekeerd zijn, zo versterk uw broeders, Luk. 22:31,32.’ Kom, ‘Werpt al uw bekommernis op Hem, want Hij zorgt voor u. Zijt nuchter en waakt; want uw tegenpartij, de duivel, gaat om als een briesende leeuw, zoekende wien hij zou mogen verslinden;  Denwelken wederstaat, vast zijnde in het geloof, wetende dat hetzelfde lijden aan uw broederschap die in de wereld is, volbracht wordt. 1 Petr. 5:7-9.’

 

‘God is mijn Rots, ik zal op Hem betrouwen; mijn Schild en de Hoorn mijns heils, mijn hoog Vertrek en mijn Toevlucht, mijn Verlosser, van geweld hebt Gij mij verlost, 2 Sam. 22:3.’

 

‘En de God des vredes zal den satan haast onder uw voeten verpletteren. De genade van onzen Heere Jezus Christus zij met ulieden. Amen, Rom. 16:20.’