7. De hoge waarde van de doop der gelovigen.

De grootheid van de instelling van de doop der gelovigen zal door u erkend worden, als u let op deze zeven bijzonderheden:

 

1.De geloofsdoop is een instelling welke het Voorbeeld tot bevestiging heeft; want de Overste Leidsman onzer zaligheid, liet zich onderdompelen, zoals ons wordt verhaald in Matth.3:13 ‘Toen kwam Jezus van Galiléa naar de Jordaan tot Johannes, om van hem gedoopt te worden.’ Christus zegt: ‘Zo iemand Mij dient, die volge Mij; en waar Ik ben, aldaar zal ook Mijn dienaar zijn. En zo iemand Mij dient, de Vader zal hem eren.’ (Joh.12:26) Christus is het beste voorbeeld. Wilt u Hem in alles dienen en het Lam volgen, waar het ook henen gaat?

 

2. De geloofsdoop wordt bediend in een Grote Naam; ‘Gaat dan heen, onderwijst al de volken, dezelve dopende in den Naam des Vaders en des Zoons en des Heiligen Geestes; lerende hen onderhouden alles wat Ik u geboden heb. En zie, Ik ben met ulieden al de dagen tot de voleinding der wereld. Amen.’ (Matth 28:19-20) Deze Naam mag niet worden geminacht; het is de Naam van den grote God.

 

3. De geloofsdoop is een grote zaak; hij wordt door de Heere Jezus zelf ‘gerechtigheid’ genoemd. Gerechtigheid is iets groots, Christus spreekt er van als een betamelijke zaak: ‘Maar Jezus antwoordende zeide tot hem: Laat nu af; want aldus betaamt ons alle gerechtigheid te vervullen. Toen liet hij van Hem af.’ (Matth.3:15.) Een vervulling van alle gerechtigheid is inderdaad niet gering te schatten.

 

4. De geloofsdoop is een onderdeel van de opdracht die de Heere Jezus zelf geeft aan Zijn discipelen. De Gezegende Zaligmaker geeft deze opdracht na Zijn opstanding en vlak vóór Zijn hemelvaart, zoals blijkt uit Matth.28:19-20: ‘Gaat dan heen, onderwijst al de volken, dezelve dopende in den Naam des Vaders en des Zoons en des Heiligen Geestes; lerende hen onderhouden alles wat Ik u geboden heb. En zie, Ik ben met ulieden al de dagen tot de voleinding der wereld. Amen.’

 

5. Aan de geloofsdoop zijn grote beloften verbonden. ‘En zie, Ik ben met ulieden al de dagen tot de voleinding der wereld. Amen.’(Matth.28:20) Hier is de belofte van de heerlijke tegenwoordigheid van Christus met hen, die onderwijzen en dopen. Dan is er ook nog de belofte van de Heilige Geest: ‘En Petrus zeide tot hen: Bekeert u, en een iegelijk van u worde gedoopt in den Naam van Jezus Christus, tot vergeving der zonden; en gij zult de gave des Heiligen Geestes ontvangen. Want u komt de belofte toe, en uw kinderen, en allen die daar verre zijn, zovelen als er de Heere onze God toe roepen zal.’(Hand.2:38-39) Ook staat er de belofte, de verzekering of het teken van de afwassing van de zonden; ‘En nu, wat vertoeft gij? Sta op, en laat u dopen en uw zonden afwassen, aanroepende den Naam des Heeren.’(Hand.22:16) De waterdoop op zich reinigt niet, want Simon de tovenaar was gedoopt en toch ‘in een gans bittere gal en samenknoping der ongerechtigheid.’ (Hand.8:23) Toch als de gelovige de doop ontvangt, dan is in deze onderdompeling, de gelovige een levendig zinnenbeeld, een verfrissend teken van de afwassing van zijn zonden. Ongetwijfeld wil het zeggen, dat de wassing door de onderdompeling een uitwendig teken is van de afwassing van de zonden door het bloed van Jezus Christus. Het is duidelijk dat in het Woord van God, daarvan alleen bij de gelovige sprake is. Verder vindt u de belofte der zaligheid verbonden aan de geloofsdoop, dit is verbonden aan het geloof. ‘Die geloofd zal hebben en gedoopt zal zijn, zal zalig worden; maar die niet zal geloofd hebben, zal verdoemd worden.’ (Mark.16:16)

Nu dat is, de tegenwoordigheid van Christus, de Heilige Geest, vergiffenis van zonde en de gift der zaligheid. Deze allen zijn grote beloften, elk van die afzonderlijk en allen samen zijn, zoals het Woord der Waarheid ons leert, met de doop verbonden.

 

6. Let op de uitnemendheid van de geloofsdoop. Elk woord van God is buitengewoon gewichtig, maar de doop heeft de bijzondere eer, dat hij onmiddellijk naast het geloof is geplaatst, als er sprake is van de zaligheid. De Schrift zegt niet: ‘Die geloofd zal hebben en, het Heilig Avondmaal zal gevierd hebben, die zal zalig worden.’ Ook geeft de Bijbel geen andere instelling zo een uitnemende plaats, maar zeer duidelijk en onderscheiden zegt de Heere: ‘Die geloofd zal hebben en gedoopt zal zijn, zal zalig worden; maar die niet zal geloofd hebben, zal verdoemd worden.’ (Mark.16:16) Is de doop dan niet iets groots, welke aldus verbonden is aan het geloof? Is het geloof niet de wortel en moeder van alle genade, waardoor de mens gerechtvaardigd wordt en waarbij hij leeft?

 

7. Nadat Christus ten hemel is gevaren, heeft Hij verschillende keren duidelijk geboden de gelovigen te dopen.

 

a. De Geest gebood Filippus zich bij de wagen van de Kamerling te voegen. ‘En de Geest zeide tot Filippus: Ga toe en voeg u bij dezen wagen.’(Hand 8:29) Dit geschiedde met de bedoeling dat hij de kamerling Christus zou prediken en hem daarna zou dopen. ‘En toen zij uit het water waren opgekomen, nam de Geest des Heeren Filippus weg, en de kamerling zag hem niet meer; want hij reisde zijn weg met blijdschap.’ (Hand 8:39) Hier heeft u een roeping van den hemel om de gelovigen te dopen; Filippus, de diaken, werd er toe geroepen.

 

b. Zie ook de zending van Ananias tot Saulus, De Heere roept Ananias in een gezicht, en zendt hem tot Paulus. ‘En er was een zeker discipel te Damascus, met name Ananías; en de Heere zeide tot hem in een gezicht: Ananías. En hij zeide: Zie, hier ben ik, Heere. En de Heere zeide tot hem: Sta op, en ga in de straat genaamd de Rechte, en vraag in het huis van Judas naar een , met name Saulus, van Tarsen; want zie, hij bidt’ (Hand.9:10-11) Later vertelt Paulus de geschiedenis in Handelingen 22:1-21 Ananias heeft tegen Paulus gezegd: ‘En nu, wat vertoeft gij? Sta op, en laat u dopen en uw zonden afwassen, aanroepende den Naam des Heeren.’(Hand.22:16)

 

c. In Handelingen 10 leest u dezelfde zaak weer. In vers 4 tot

6 leest u dat er een engel van de hemel naar Cornelius gezonden werd, die hem gebood Petrus te ontbieden, die hem woorden der zaligheid zal vertellen (vrs.22c) In vers 18-24 leest u de roeping van Petrus door de Heilige Geest. ‘Daarom, sta op, ga af, en reis met hen, niet twijfelende want Ik heb hen gezonden.’ Petrus werd gezonden vanuit de hemel om tot Cornelius woorden ter zaligheid te spreken, waardoor Cornelius zalig zou worden.

De prediking van Petrus werd gezegend door de Heilige Geest. ‘Als Petrus nog deze woorden sprak, viel de Heilige Geest op allen die het Woord hoorden.’ (vrs.44) Let vervolgens op het bevel om te dopen: ‘Kan ook iemand het water weren, dat dezen niet gedoopt zouden worden, welke den Heiligen Geest ontvangen hebben gelijk als ook wij? En hij beval dat zij zouden gedoopt worden in den Naam des Heeren. Toen baden zij hem dat hij enige dagen bij hen wilde blijven.’(vrs.47-48)

U ziet in deze voorbeelden, dat, na de hemelvaart van Christus, de doop werd bevolen. Dit bewijst dat de geloofsdoop een grote instelling van God is!

 

Tegenwerpingen:

 

's Mensen hart is zo bedorven, dat hij tegenwerpingen durft te opperen tegen de duidelijkste waarheid in het gezegende Woord van God. Daarom worden er ook bestrijdingen vernomen van de doop der gelovigen Dit moet ons niet verbazen; want welke van Gods waarheden is niet bestreden en tegengestaan? Ja, wordt God zelf niet bestreden en tegengestaan? Maar van de doop mogen wij wel zeggen, wat Paulus eenmaal sprak: ‘want dit is in geen hoek geschied.’ (Hand.26:26d)

Ik wijs alleen maar op deze tekst, er staat geschreven van sommigen: ‘Want het hart dezes volks is dik geworden, en zij hebben met de oren zwaarlijk gehoord, en hun ogen hebben zij toegedaan; opdat zij niet te eniger tijd met de ogen zouden zien, en met de oren horen, en met het hart verstaan, en zich bekeren, en Ik hen geneze.’(Matth.13:15) Ziet toe, dat u uw ogen niet sluit,

maar indien u gewillig de waarheid wilt zien, dan ben ik er zeker van, dat u gewillig zult gemaakt worden om deze instelling te gehoorzamen ten dage van Gods heerkracht. Echter, indien u in uw geweten nog wat twijfelachtig staat en wat meer licht en zekerheid begeert, let dan op de antwoorden die hier gegeven worden op de volgende tegenwerpingen:

 

1e  Tegenwerping: Sommigen leren, dat de geloofsdoop alleen gebruikt werd in een zekere tijd en dat deze tijd nu tot een einde is gekomen. ‘Want’ zo zeggen zij: ‘in Matth.28:19-20 staat; tot aan de voleinding der wereld, daarmee wordt bedoeld tot het einde van die tijd, die eeuw of die bedeling en niet langer.

Hierop antwoord ik: Dit kan de zin van de tekst niet wezen: Ten eerste; omdat Christus de apostelen gebiedt hier te leren; ‘te onderhouden alles wat Ik u geboden heb.’ (Matth.28:19d). Houdt u het er nu voor dat alles wat de apostelen de volken moesten leren te onderhouden, alleen maar tot het einde van die tijd, die eeuw of die bedeling, duren moest? Christus heeft gesproken van bekering, van geloof, van heiligmaking, even goed als van gedoopt te worden. Hebben wij nu bekering, geloof en heiligmaking, niet verder te houden dan tot het einde van die eeuw?

Christus heeft Zijn tegenwoordigheid beloofd tot de voleinding der wereld. Welnu, heeft Christus Zijn tegenwoordigheid alleen tot het einde van de Joodse bedeling beloofd? Dit zou een verschrikkelijke en noodlottige leer zijn. Hij Zelf heeft gezegd: ‘Ik zal u niet begeven en Ik zal u niet verlaten.’ (Hebr.13:5c) De belofte van Zijn heerlijke tegenwoordigheid is bestemd om van kracht te zijn door alle tijden, eeuwen en bedelingen heen. Christus heeft gezegd: ‘En zie, Ik ben met ulieden al de dagen tot de voleinding der wereld. Amen.’ (Matth.28:20) Dit is; Ik zal met u zijn in alle tijden, eeuwen en bedelingen tot aan het einde van alle tijden, eeuwen en bedelingen. Daarom staat er in Matth.28:19d-20 ‘onderhouden alles wat Ik ugeboden heb. En zie, Ik ben met ulieden al de dagen tot de voleinding der wereld.’

 

2e Tegenwerping: Maar de waterdoop was van Johannes.

Antwoord: Was de doop van Johannes uit den hemel of uit de mensen? De doop van Johannes was uit den hemel. ‘De doop van Johannes, vanwaar was die ? Uit den hemel of uit de mensen? En zij overlegden bij zichzelven en zeiden: Indien wij zeggen: Uit den hemel, zo zal Hij ons zeggen: Waarom hebt gij hem dan niet geloofd?’ (Matth.21:25) Lees ook de geschiedenis in Matth. 21:23-27.

Verder had Johannes slechts de weg te bereiden voor Christus heen. ‘En gij, kindeken, zult een profeet des Allerhoogsten genaamd worden; want gij zult voor het aangezicht des Heeren vooruitgaan, om Zijn wegen te bereiden’. (Luk.1:76) Zodat Johannes alleen de wegbereider van Christus was, dit was de weg van Christus, niet de weg van Johannes.

Maar verder: Is niet de doop door Christus geboden, en door de gemeenten uitgeoefend na de dood van Johannes en na de opstanding van Christus? Heeft Christus niet gezegd: ‘Gaat dan heen, onderwijst al de volken, dezelve dopende in den Naam des Vaders en des Zoons en des Heiligen Geestes; lerende hen onderhouden alles wat Ik u geboden heb.’ (Matth.28:19) en lust het u om te beweren, dat dit de doop van Johannes was?

 

3e Tegenwerping: ‘Maar’, zegt iemand: ‘Want in Christus Jezus heeft noch besnijdenis enige kracht, noch voorhuid, maar een nieuw schepsel.’ (Gal.6:15)

Antwoord. - Eens betekende de besnijdenis iets, want de Heere zou Mozes gedood hebben, omdat hij verzuimd had zijn zoontje te besnijden.  Zie Exod 4:24-26. Bovendien heeft de Heere gezegd, (onder de oude bedeling): ‘En wat mannelijk is, de voorhuid hebbende, wiens voorhuids vlees niet zal besneden worden, dezelve ziel zal uit haar volken uitgeroeid worden: hij heeft Mijn verbond gebroken.’ (Gen.17:14) Onder het Evangelie (de nieuwe bedeling) heeft de besnijdenis geen kracht, omdat zij afgeschaft is; ‘Zie, ik, Paulus, zeg u, zo gij u laat besnijden, dat Christus u niet nut zal zijn. En ik betuig wederom een iegelijk mens die zich laat besnijden, dat hij een schuldenaar is de gehele wet te doen.’ (Gal.5:2-3) Maar wilt u hieruit opmaken dat de geloofsdoop niets is, omdat de besnijdenis niets is omdat deze is afgeschaft? God zelf heeft de besnijdenis afgeschaft en de geloofsdoop bevolen. Dit zou zeker een zeer dwaze en een geheel nutteloze redenering wezen. De doop is een bevel van den Heere Jezus, Matth.28:16-20. Zou u willen beweren, dat dit gebod niets is. Dit zij verre van u!

 

4e Tegenwerping: Ik ben met den Geest gedoopt, dat is de hoofdzaak en het wezen. De waterdoop is maar een vorm, een schaduw.

Antwoord: Hetzelfde kunt u evengoed zeggen van alle andere instellingen; zij zijn slechts schaduwen. Het Heilig avondmaal is maar een schaduw, het gebed, het horen en de prediking zijn slechts schaduwen. Wanneer u zo ver gekomen bent, en al deze dingen hebt opgegeven, waar zult u dan belanden? De vraag is niet of de doop een schaduw is, dan niet; maar of Christus hem heeft geboden? Indien ja, verzet u toch niet tegen de Zone Gods, opdat Hij niet toorne. Of Zijn inzetting een schaduw of geen schaduw is, dat is niet uw zaak. Twist niet met uw Heere en Meester, maar volg de raad van Maria de moeder van de Heere Jezus: ‘Zo wat Hij ulieden zal zeggen, doet dat.’(Joh.2:5b) Noem, als het u goeddunkt, de geloofsdoop een schaduw; maar bedenk dan tevens, dat Christus zich eraan onderwierp, wie bent u dan die weigert? Wilt u wijzer zijn dan Christus? In Hand.10: 44-48 lezen wij de geschiedenis van de hoofdman Cornelius: ‘Als Petrus nog deze woorden sprak, viel de Heilige Geest op allen die het Woord hoorden. En de gelovigen die uit de besnijdenis waren, zovelen als er met Petrus waren gekomen, ontzetten zich dat de gave des Heiligen Geestes ook op de heidenen uitgestort werd; Want zij hoorden hen spreken met vreemde talen, en God grootmaken. Toen antwoordde Petrus: Kan ook iemand het water weren, dat dezen niet gedoopt zouden worden, welke den Heiligen Geest ontvangen hebben gelijk als ook wij? En hij beval dat zij zouden gedoopt worden in den Naam des Heeren. Toen baden zij hem dat hij enige dagen bij hen wilde blijven.’

Vergeet niet, dat hij, die in het minste getrouw is, in het grote getrouw is.

 

5e Tegenwerping: Is de doop niet in de plaats van de besnijdenis gekomen?

Antwoord: Volstrekt niet; want er is geen enkel woord in de Bijbel voor zulk een gevoelen, er is geen enkele tekst die daarop wijst. U mag niet wijzer zijn boven wat geschreven is. Herinnert u vervolgens, dat de besnijdenis alleen het mannelijk geslacht betrof: maar in Hand.8:12 staat geschreven: ‘Maar toen zij Filippus geloofden, die het Evangelie van het Koninkrijk Gods en van den Naam van Jezus Christus verkondigde, werden zij gedoopt, beide mannen en vrouwen.’

 

6e Tegenwerping: Maar zijn niet zeer geleerde mannen voor de kinderdoop?

Antwoord: Er is geen dwaling, die geen voorstanders en verdedigers heeft gehad onder hen, die de roem van geleerdheid bezaten. Terwijl vaak de Waarheid schade leed onder hun behandeling, mede door het overnemen van aannames en dwalingen uit de vroege eeuw. De Farizeeën en de Schriftgeleerden, de geleerde mannen van die tijd, verwierpen de raad Gods tegen zichzelf, van Johannes niet gedoopt zijnde. Spreek toch niet gelijk zij spraken, lees ook het getuigenis van de Heere Jezus over Johannes en wat Hij zegt over deze geleerden. ‘Als nu de boden van Johannes weggegaan waren, begon Hij tot de scharen, van Johannes te zeggen: Wat zijt gij uitgegaan in de woestijn te aanschouwen? Een riet dat van den wind ginds en weder bewogen wordt? Maar wat zijt gij uitgegaan te zien? Een mens met zachte klederen bekleed? Zie, die in heerlijke kleding en wellust zijn, die zijn in de koninklijke hoven. Maar wat zijt gij uitgegaan te zien? Een profeet? Ja, Ik zeg u, ook veel meer dan een profeet. Deze is het van welken geschreven is: Zie, Ik zend Mijn engel voor Uw aangezicht, die Uw weg voor U heen bereiden zal. Want Ik zeg ulieden: Onder die van vrouwen geboren zijn, is niemand meerder profeet dan Johannes de Doper; maar de minste in het Koninkrijk Gods is meerder dan hij. En al het volk hem horende, en de tollenaars die met den doop van Johannes gedoopt waren, rechtvaardigden God. Maar de farizeeën en de wetgeleerden hebben den raad Gods tegen zichzelven verworpen, van hem niet gedoopt zijnde.’ (Luk.7:24-35)

Hoor naar het antwoord van Christus: ‘In dienzelven tijd antwoordde Jezus en zeide: Ik dank U, Vader, Heere des hemels en der aarde, dat Gij deze dingen voor de wijzen en verstandigen verborgen hebt, en hebt dezelve den kinderkens geopenbaard.’(Matth.11:25) En verder, als geleerdheid in dit geval enige bewijskracht heeft, zo vraag ik; ‘zijn niet vele Roomse Kardinalen en Jezuïeten zeer geleerde manen? Is dat een reden om Rooms te worden?

 

7e Tegenwerping: Maar zijn er niet vele godzalige mannen, leraars in de kerk die de kinderdoop voorstaan?

Antwoord: Ongetwijfeld is dit zo; maar u hebt niemand, ook zelfs niet een apostel verder te volgen dan hij Christus volgde of volgt. Paulus zegt in 1 Kor.11:1 ‘Weest mijn navolgers, gelijkerwijs ook ik van Christus.’ Beroep u niet op voorbeelden van godzalige mannen tegen een uitgedrukt woord van God want ook godzalige mannen kunnen dwalen. U leest in Hand.8:12 een duidelijk uitgedrukt bericht van God: ‘Maar toen zij Filippus geloofden, die het Evangelie van het Koninkrijk Gods en van den Naam van Jezus Christus verkondigde, werden zij gedoopt, beide mannen en vrouwen.’ daar tegenover kan geen voorbeeld van vrome mensen en godzalige leraars een ogenblik opwegen. Elia was een godzalig man; hij bad om vuur van den hemel; maar wij moeten zo niet doen. Jósafat was een vroom koning; maar onder zijn regering werden de hoogten niet weggedaan; ‘En hij wandelde in al den weg van zijn vader Asa; hij week niet daarvan, doende wat recht was in de ogen des HEEREN. Evenwel werden de hoogten niet weggenomen; het volk offerde en rookte nog op de hoogten.’ (1Kon 22: 43-44)

Volg geen voorbeelden na tegen het uitdrukkelijk Woord van God in. ‘Gij zult de menigte tot boze zaken niet volgen; en gij zult niet spreken in een twistige zaak, dat gij u neigt naar de menigte, om het recht te buigen.’ (Ex.23:2)

 

8e Tegenwerping: Maar er staat in de Heilige Schrift niet één woord tegen de kinderdoop

Antwoord: Nadab en Abihu werden met vuur verbrand, omdat zij iets deden, wat de Heere niet geboden had. ‘En de zonen van Aäron, Nadab en Abíhu, namen een ieder zijn wierookvat en deden vuur daarin en legden reukwerk daarop, en brachten vreemd vuur voor het aangezicht des HEEREN, hetwelk Hij hun niet geboden had. Toen ging een vuur uit van het aangezicht des HEEREN en verteerde hen; en zij stierven voor het aangezicht des HEEREN.’ (Lev.10:1-2) Zie toe, dat u de Heere niet vereert in enige weg, die niet uitdrukkelijk geboden is. De tegenwerping dat er niet één woord tegen de kinderdoop staat, zou u dan ook moeten toepassen dat er niet één uitgedrukt woord tegen de uitvindingen van Rome staat. Staat er ergens in de Bijbel ‘Gij zult géén klokken dopen?’ Waar staat in het Woord: ‘Gij zult géén speeksel, geen room of zout bij de kinderdoop gebruiken.’ gelijk de Roomsen doen? De eerste Roomse priester zou u nog tegen moeten komen, als hij voor zijn godsdienst deze bewijsvoering ging gebruiken, en waarom gebruikt u zelf deze dan?

Om de kinderdoop te veroordelen is het genoeg om te weten dat de Heere deze niet heeft verordend.

 

9e Tegenwerping: Maar werden niet gehele huisgezinnen gedoopt?

Antwoord: Dan wordt er ook duidelijk bij gemeld dat zij allen werden gedoopt nadat zij gelovig geworden waren en daar een getuigenis van af konden leggen. Van de stokbewaarder lezen wij: ‘en hij werd terstond gedoopt, en al de zijnen.’ (Hand.16:33c) vervolgens lezen we in vers 34b: ‘en verheugde zich dat hij met al zijn huis aan God gelovig geworden was.’

In Hand.18:8 staat: ‘En Crispus, de overste der synagoge, geloofde aan den Heere met geheel zijn huis, en velen van de Korinthiërs hem horende, geloofden en werden gedoopt.’ Lydia en haar huis werden gedoopt. Hier wordt geen melding gemaakt van een man of van kinderen, wij lezen ook niet of zij een maagd of een weduwe was. Alleen diegenen, welke in het huis van Lydia waren, worden

‘broederen’ genoemd (Hand.16:40) Er zijn vele gedoopte huisgezinnen in onze dagen, in welke geen kleine kinderen zijn en dat was ook zo in de dagen der apostelen, want Lukas zegt ons dat zij allen geloofden, dat zij dit dus konden belijden, wat kleine kinderen niet kunnen doen.

 

10e Tegenwerping: Kinderen waren vroeger leden van de kerk, wij lezen niet dat zij afgesneden werden.

Antwoord: Het Joodse volk, die de natuurlijke takken waren, werd afgebroken door het ongeloof. Indien zij gaan geloven, dan zullen zij weer ingeënt worden; maar tot zolang zijn ze afgebroken; ‘Het is wel; zij zijn door ongeloof afgebroken, en gij staat door het geloof. Zijt niet hooggevoelende, maar vrees. Want is het dat God de natuurlijke takken niet gespaard heeft, zie toe dat Hij ook mogelijk u niet spare. (Rom. 11:20-21) Zodat alle voorrecht, hetwelk de Joodse kinderen door de vleselijke afstamming ten goede kwam, voorbij is gegaan. Niemand mag zich daarop beroepen, omdat onder het Evangelie de bijl is gelegd aan den wortel van den boom; ‘Hij dan, ziende velen van de farizeeën en sadduceeën tot zijn doop komen, sprak tot hen: Gij adderengebroedsels, wie heeft u aangewezen te vlieden van den toekomenden toorn? Brengt dan vruchten voort der bekering waardig. En meent niet bij uzelven te zeggen: Wij hebben Abraham tot een vader. Want ik zeg u, dat God zelfs uit deze stenen Abraham kinderen kan verwekken. En ook is alrede de bijl aan den wortel der bomen gelegd; alle boom dan die geen goede vrucht voortbrengt, wordt uitgehouwen en in het vuur geworpen.’(Matth.3:7-10) Daarom zegt niet dat u Abraham (of een andere gelovige) tot een vader hebt. Maar weet dat uzelf moet geloven om een kind Gods te worden; ‘Maar zovelen Hem aangenomen hebben, dien heeft Hij macht gegeven kinderen Gods te worden, namelijk die in Zijn Naam geloven.’ (Joh.1:12) Dit is het zekere Woord van God en naar die regel is van ouds af gehandeld. De Sadduceën werden verworpen toen zij tot de doop kwamen, hun grond voor de doop, dachten zij, was het feit dat zij Abraham tot een vader hadden.

Verder: kinderen waren leden van de nationale kerk van de Joden; maar waar ergens waren kinderen leden van de Christelijke gemeente? Als deze kinderen leden waren, dan waren de met geld gekochte dienstknechten ook leden, ‘Een zoontje dan van acht dagen zal u besneden worden, al wat mannelijk is in uw geslachten: de ingeborene des huizes, en de gekochte met geld van allen vreemde, dewelke niet is van uw zaad’(Gen. 17:12) De Heere gebood Abraham al zijn dienstknechten te besnijden, zelfs ook die niet van zijn zaad waren. Is er iemand die wil beweren, dat net zoals alle knechten van Abraham besneden werden, daarom al de dienstknechten en kinderen van een gelovige moeten gedoopt worden, om zo tot leden gemaakt te worden van de gemeente, of zij nu gelovig zijn of niet? God zoekt nu in het Evangelie dezulken, die Hem aanbidden; ‘Maar de ure komt en is nu, wanneer de ware aanbidders den Vader aanbidden zullen in geest en waarheid; want de Vader zoekt ook dezulken die Hem alzo aanbidden. God is een Geest, en die Hem aanbidden, moeten Hem aanbidden in geest en waarheid.’ (Joh.4:23-24) Hoe kan hier vleselijke afkomst gelden? En verder; eenmaal was er een middelmuur des afscheidsels tussen het natuurlijke zaad van Abraham en het overige mensdom. Deze middelmuur des afscheidsels is verbroken; ‘Want Hij is onze Vrede, Die deze beiden één gemaakt heeft, en den middelmuur des afscheidsels gebroken hebbende,’ (Ef.2:41) en ook lezen wij in Handelingen 10:34-35; ‘En Petrus den mond opendoende, zeide: Ik verneem in der waarheid, dat God geen aannemer des persoons is; Maar in allen volke is die Hem vreest en gerechtigheid werkt, Hem aangenaam.’

 

11e  Tegenwerping: Maar is het voorrecht van de kinderen der gelovigen onder het Evangelie (NT geloofsdoop) minder dan het was onder de wet (OT besnijdenis) ?

Antwoord: Wat verstaat u onder ‘voorrecht’? Was het een voorrecht onder de wet te zijn? Is het niet een groter voorrecht, het Evangelie te horen? Of verstaat u onder voorrecht de beloften te hebben, van welke de apostel ons spreekt? Zo ja, lees dan eens Rom.9:8; ‘Dat is, niet de kinderen des vleses, die zijn kinderen Gods; maar de kinderen der beloftenis worden voor het zaad gerekend.’

Of meent u dat het een groot voorrecht geweest is deel te hebben aan de zichtbare instelling der besnijdenis, en zo te komen onder de ceremoniële wet? Is dat een voorrecht? De apostel noemt dit een juk, wat noch onze vaders hebben kunnen dragen, noch wij. Is dit het door u genoemde of bedoelde voorrecht? ‘Nu dan, wat verzoekt gij God, om een juk op den hals der discipelen te leggen, hetwelk noch onze vaders, noch wij hebben kunnen dragen?’(Hand.15:10)

 

12e Tegenwerping: Maar het zaad was in verbondsbetrekking. God maakte een verbond met Abraham en zijn zaad.

Antwoord: Wat verstaat u onder ‘verbond’? Bedoelt u daarmee het verbond, welke gemaakt werd bij de berg Sinaï, of het verbond der werken? Wilt u zo graag uw kind onder dat verbond te brengen? Of bedoelt u het verbond der genade, waarin God beloofde hun God te zijn. En oordeelt u , dat Ezau, Saul , Absalom en Jerobeam, de zoon van Nebat, en al de zodanige, in het verbond der genade waren, omdat zij besneden waren? Of wilt u misschien beweren, dat zij hun aandeel in het verbond der genade verloren, zodat u dat genadeverbond gaat omzetten in een verbond der werken? U zit verstrikt in een warnet, waar u niet kunt uitkomen. Let toch op wat de Schrift zegt. God maakte met Abraham en zijn natuurlijk zaad een verbond, om hem het land Kanaän te geven; ‘En Ik zal Mijn verbond oprichten tussen Mij en tussen u en tussen uw zaad na u in hun geslachten, tot een eeuwig verbond, om u te zijn tot een God en uw zaad na u. En Ik zal u en uw zaad na u het land uwer vreemdelingschappen geven, het gehele land Kanaän, tot eeuwige bezitting; en Ik zal hun tot een God zijn.’(Gen.15:7-8) maar de belofte van leven en zaligheid werd gegeven aan Abraham en zijn geestelijk zaad. ‘Nu zo zijn de beloftenissen tot Abraham en zijn zaad gesproken. Hij zegt niet: En den zaden, als van velen; maar als van één: En uw Zaad, Hetwelk is Christus.’(Gal.3:16) Lees ook de verzen 1 tot 18 van Galaten 3. Als u deze tekst wilt erkennen als waarheid, dan is er weinig moeilijkheid in de tegenwerping, want: ‘Doch ik zeg dit niet alsof het woord Gods ware uitgevallen. Want die zijn niet allen Israël, die uit Israël zijn; Noch omdat zij Abrahams zaad zijn, zijn zij allen kinderen, maar: In Izak zal u het zaad genoemd worden. Dat is, niet de kinderen des vleses, die zijn kinderen Gods; maar de kinderen der beloftenis worden voor het zaad gerekend.’ (Rom.10:6-8)

De gelovigen zijn het zaad van Abraham, en deze gelovigen, al zijn ze ook slechts zuigelingen in de genade, komen de geestelijke zegeningen, naar Gods bestelling, toe. Want wat uw kinderen naar het vlees aangaat, deze worden niet voor het zaad gerekend.

 

13e  Tegenwerping: Maar zij ontvingen het recht (zelfs een gebod) om besneden te worden omdat zij in het verbond waren.

Antwoord: De besnijdenis werd gegeven aan Abraham en zijn zaad, en zijn dienstknechten, maar waar wordt in de Schrift de doop gelegd op het natuurlijk zaad, van de gelovige? Wijs dat aan, en anders geef uw redenering op. Het priesterschap was door een verbond, vastgemaakt aan de stam van Levi en hun zaad (evengoed een verbond met God, als het verbond van God met Abraham), zo als u kunt lezen in Num. 25:12-13: ‘Daarom, spreek: Zie, Ik geef hem Mijn verbond des vredes. En hij zal hebben en zijn zaad na hem, het verbond des eeuwigen priesterdoms, daarom dat hij voor zijn God geijverd en verzoening gedaan heeft voor de kinderen Israëls.’ en in Ex.28: 1: ‘Daarna zult gij uw broeder Aäron en zijn zonen met hem tot u doen naderen uit het midden der kinderen Israëls, om Mij het priesterambt te bedienen’: namelijk Aäron, Nadab en Abíhu, Eleázar en Ithamar, de zonen van Aäron. Wilt u nu de bediening des Woords ook vastmaken op de predikanten en hun natuurlijk zaad? Het geval is toch vrij gelijk.

Maar om op de doop terug te komen: Waren er niet velen, die tot de doop kwamen, tot wie Johannes zei: ‘En meent niet bij uzelven te zeggen: Wij hebben Abraham tot een vader. Want ik zeg u, dat God zelfs uit deze stenen Abraham kinderen kan verwekken.’ ? (Matth.3:9) Bleek daaruit niet duidelijk , dat hun vleselijk recht door het Evangelie werd te niet gedaan? ‘En ook is alrede de bijl aan den wortel der bomen gelegd; alle boom dan die geen goede vrucht voortbrengt, wordt uitgehouwen en in het vuur geworpen.’ (vrs.10) De godsdienst is een persoonlijke zaak, en de natuurlijke geboorte brengt geen voorrang mee.

Bedenk daarbij, dat Abraham een uitdrukkelijk en duidelijk uitgedrukt Woord van God had, voor de wettigheid of de opdracht van het besnijden van zijn nakomelingen en dienstknechten. Maar waar is zodanig uitdrukkelijk Woord voor het dopen van de kindertjes?

 

14e Tegenwerping: Maar Christus zeide toch: Laat de kinderkens tot Mij komen en verhindert hen niet; want derzulken is het Koninkrijk Gods.’ (Luk.18:16b)

Antwoord. De tekst leert u duidelijk, dat deze kinderen niet tot Jezus gebracht werden, om gedoopt te worden. Maar opdat Hij hun de handen mocht opleggen, en voor hen bidden; ‘Toen werden kinderkens tot Hem gebracht, opdat Hij de handen hun zou opleggen en bidden.’(Matth.19:13) Vindt u hier iets, wat enigszins op dopen lijkt? Geen spoor of schaduw, hoe gering ook. Wij gaan nog verder, wij durven erop te staan dat Jezus ze niet doopte, immers Jezus zelf doopte niet maar zijn discipelen. (Joh.4:2)

 

15e Tegenwerping: Maar er staat: ‘Want u komt de belofte toe, en uw kinderen.’ (Hand2:39a)

Antwoord. Wees zo rechtvaardig voor uw eigen ziel om de gehele tekst te lezen, dan zult u daar in dat gedeelte het volgende lezen: ‘En als zij dit hoorden, werden zij verslagen in het hart, en zeiden tot Petrus en de andere apostelen: Wat zullen wij doen, mannen broeders? En Petrus zeide tot hen: Bekeert u, en een iegelijk van u worde gedoopt in den Naam van Jezus Christus, tot vergeving der zonden; en gij zult de gave des Heiligen Geestes ontvangen. Want u komt de belofte toe, en uw kinderen, en allen die daar verre zijn, zovelen als er de Heere onze God toe roepen zal.’ En met veel meer andere woorden betuigde hij en vermaande hen, zeggende: ‘Wordt behouden van dit verkeerd geslacht. Die dan zijn woord gaarne aannamen, werden gedoopt; en er werden op dien dag tot hen toegedaan omtrent drieduizend zielen.’ (Hand.2:37-41)

U ziet de belofte is dus voor dezulke, die geroepen worden, of dit nu uw kinderen zijn of zij die daar verre zijn. Indien u nu wilt beweren dat dit woord roepen geen betrekking heeft op de kinderen, maar op degenen die ‘van verre zijn’ dan antwoord ik: ‘Het moet noodzakelijk betrekking hebben op de kinderen, hun ouders en die daar verre zijn, omdat Petrus zegt: ‘Maar dit is het wat gesproken is door den profeet Joël: En het zal zijn in de laatste dagen (zegt God), Ik zal uitstorten van Mijn Geest op alle vlees; en uw zonen en uw dochters zullen profeteren, en uw jongelingen zullen gezichten zien, en uw ouden zullen dromen dromen.’ (Hand.2:16-17)

In Joël 2:32 staat: ‘En het zal geschieden, al wie den Naam des HEEREN zal aanroepen, zal behouden worden; want op den berg Sion en te Jeruzalem zal ontkoming zijn, gelijk als de HEERE gezegd heeft; en dat bij de overgeblevenen, die de HEERE zal roepen.’ Nu, als de belofte des Geestes tot de kinderen is, hoewel niet geroepen, dan staat de zaak zo; of de belofte faalt, en dat is een schrikwekkende gedachte, ofalle kinderen van de gelovigen hebben deel in deze heerlijke Geest. Maar dewijl deze laatste veronderstelling door de dagelijkse ervaring te schande gemaakt wordt, omdat vele kinderen van gelovigen gericht zijn op het aardse en de Geest niet hebben. Deze belofte wordt alleen aan diegenen vervult, die de Heere onze God er toe roept.

 

16e Tegenwerping: Maar ik ben gedoopt in mijn kindsheid. Waarom is het dan nodig wederom gedoopt te worden als ik geloof in Christus?

Antwoord: Het is niet een beetje water op gezicht of voorhoofd gesprenkeld, wat de doop maakt; maar het is een vrije, vrijwillige overgave en onderwerping aan Christus, in overeenstemming met Zijn regel, die de doop maakt. Nu, toen u een kindje was, heeft u geen toestemming gegeven. U weet van de hele zaak niets, dan van horen zeggen. U weet niet wanneer het was. U had geen geloof in de handeling.  Ja, alleen dit is zeker; de handeling was niet de uwe. Naar de wet van Christus; bent u nog ongedoopt. Ga eens na wat er tekort schiet aan uw ‘doop’:

 

Ten eerste: Er was geen bevel om u als kind te dopen.

 

Ten tweede: U was niet het goede voorwerp voor de doop, want u behoorde te geloven en daarna gedoopt te worden.

 

Ten derde: U werd, alleen maar besprenkeld en volstrekt niet in de doop begraven, zoals Christus begraven werd. Zoals Hij de gelovigen heeft geboden.

Wilt u nu nog uw besprenkeling een doop noemen? Het is niets meer dan een overlevering, die u hebt ontvangen van uw vaderen. Terwijl de Heere Jezus Zijn zo dierbare bloed heeft gestort om ons te verlossen van onze doelloze wandel, die ons van de vaderen is overgeleverd. ‘Wetende dat gij niet door vergankelijke dingen, zilver of goud, verlost zijt uit uw ijdelen wandel, die u van de vaderen overgeleverd is, Maar door het dierbaar bloed van Christus, als van een onbestraffelijk en onbevlekt Lam.’ (1Petr.1:18-19)

 

17e Tegenwerping: Maar velen leggen zo een groot gewicht op de doop dat wij erdoor afgeschrikt worden.

Antwoord: Kan er meer gewicht op gelegd worden door iemand, dan geschied is door Christus, die in Zijn Woord heeft gezegd: ‘zo heb ik noodzaak gehad aan u te schrijven, en u te vermanen, dat gij strijdt voor het geloof, dat eenmaal den heiligen overgeleverd is.’ (Judas:3b)

Zij leggen er te veel gewicht op, die zich verbeelden dat kindertjes worden wedergeboren (of dat we ze moeten houden voor wedergeboren vert.) door de doop. Diegene die de doop gebruiken zoals deze door Jezus Christus is ingesteld, leggen niet teveel gewicht op de doop.

 

18e Tegenwerping: Maar de kinderen van de gelovigen zijn geheiligd in de gelovige ouders en daarom behoren zij gedoopt te zijn.

Antwoord: ‘Want de ongelovige man is geheiligd door de vrouw, en de ongelovige vrouw is geheiligd door den man; want anders waren uw kinderen onrein, maar nu zijn zij heilig.’ (1Kor.7:14) Hier wordt niet alleen over de reinheid van de kinderen gesproken maar er wordt ook gezegd dat de ongelovige man geheiligd wordt door de gelovige vrouw. Deze heiligheid heeft betrekking op het huwelijksleven.

Lees ook 1 Kor.7:10-16; ‘Doch den getrouwden gebied niet ik, maar de Heere, dat de vrouw van den man niet scheide; En indien zij ook scheidt, dat zij ongetrouwd blijve, of met den man verzoene; en dat de man de vrouw niet verlate. Maar den anderen zeg ik, niet de Heere: Indien enig broeder een ongelovige vrouw heeft, en dezelve tevreden is bij hem te wonen, dat hij haar niet verlate; En een vrouw die een ongelovigen man heeft, en hij tevreden is bij haar te wonen, dat zij hem niet verlate. Want de ongelovige man is geheiligd door de vrouw, en de ongelovige vrouw is geheiligd door den man; want anders waren uw kinderen onrein, maar nu zijn zij heilig. Maar indien de ongelovige scheidt, dat hij scheide; de broeder of de zuster wordt in zodanige gevallen niet dienstbaar gemaakt; maar God heeft ons tot vrede geroepen. Want wat weet gij, vrouw, of gij den man zult zalig maken? Of wat weet gij, man, of gij de vrouw zult zalig maken?’

Wij kunnen zeker niet dit gedeelte uit Gods Woord nemen als bewijs voor de kinderdoop. Dit gedeelte zou dan ook het bewijs zijn om de ongelovige mannen en vrouwen te dopen omdat zij geheiligd zijn in hun gelovige vrouw of man. Dit zou niemand willen beweren.

In Zach.15:20 staat geschreven: ‘Te dien dage zal op de bellen der paarden staan: DE HEILIGHEID DES HEEREN. En de potten in het huis des HEEREN zullen zijn als de sprengbekkens voor het altaar; Ja, al de potten in Jeruzalem en in Juda zullen den HEERE der heirscharen heilig zijn, zodat allen die offeren willen, zullen komen en van dezelve nemen en in dezelve koken; en er zal geen Kanaäniet meer zijn in het huis des HEEREN der heirscharen te dien dage.’ Bent u nu van mening dat wij hier een aanwijzing hebben gekregen om klokken te dopen, zoals de Roomsen doen? Ik denk van niet. Er is een heilig of een geheiligd zijn tot het gebruik van de gelovige, zoals staat in 1 Tim 4:4-5; ‘Want alle schepsel Gods is goed, en er is niets verwerpelijk, met dankzegging genomen zijnde; Want het wordt geheiligd door het Woord Gods en door het gebed.’ En verder in Titus 1:14-15; ‘En zich niet begeven tot Joodse fabelen en geboden der mensen die zich van de waarheid afkeren. Alle dingen zijn wel rein den reinen, maar den bevlekten en ongelovigen is geen ding rein, maar beide hun verstand en consciëntie zijn bevlekt.’ Dat is tot hun gebruik, dus zijn de kinderen en de ongelovige echtgenoten heilig, dat is geheiligd tot hun gebruik. Maar als u meent dat de kinderen van de gelovigen inwonende heiligheid bezitten, leert dan uw eigen ondervinding niet het tegendeel?

Heeft u nooit opgemerkt dat soms, godvrezende mensen goddeloze kinderen en wereldse lieden godvrezende kinderen hebben?

 

19e Tegenwerping: Toen de mensen voor het eerst besneden werden, waren dit mannen op leeftijd, later werden kinderen besneden. Zo is het ook onder het Evangelie; Toen de mensen voor het eerst gedoopt werden waren dit mannen en vrouwen op leeftijd, later werden kinderen gedoopt.

Antwoord: Dat is zo niet, want toen God het eerst de besnijdenis gebood, beval Hij dat die inzetting zou bediend worden ook aan kinderen. ‘Al wat mannelijk is al besneden worden.’(Gen.15:10b) en in vers 12a; ‘Een zoontje dan van acht dagen zal u besneden worden.’ Maar toen Christus de doop beval, gebood Hij, dat de personen eerst onderwezen moesten worden, als zij geloofden dan moesten zij gedoopt worden. Maar nooit gaf Hij het bevel om kinderen te dopen. Bedenk dan verder dat wij in de Bijbel kunnen lezen van het leven en van de handelingen der apostelen verder ook over het stichten van de eerste gemeentes. Wij treffen hier niet één kinderdoop aan. We hebben het hier over vele jaren geschiedenis. Paulus werd, bijvoorbeeld, enige tijd na de Hemelvaart van Christus, bekeerd. Hij schrijft in 2 Kor.12:2a; ‘Ik ben een mens in Christus, voor veertien jaren.’ In deze veertien jaren zijn er ongetwijfeld vele kinderen in de gemeentes geboren, maar wij lezen niet dat al deze kinderen gedoopt werden.

 

20e Tegenwerping: Die in de dagen der apostelen gedoopt werden waren heidenen geweest.

Antwoord: Was de Heere Jezus een heiden? Hij werd immers gedoopt. Was de kamerling een aanbidder van de ware God? Werd hij niet gedoopt op de belijdenis van zijn geloof? Cornelius, wiens gebeden en aalmoezen waren opgeklommen tot God, was die een heiden? Nee! Dopen niet zij die kinderen dopen, heidenen? Wij zijn van nature kinderen des toorns; ‘Onder dewelke ook wij allen eertijds verkeerd hebben in de begeerlijkheden onzes vleses, doende den wil des vleses en der gedachten; en wij waren van nature kinderen des toorns, gelijk ook de anderen.’(Ef.2:3)

De Kinderdopers maken zich druk voor de doop van heidenen; wij verdedigen de doop der gelovigen.

 

21e Tegenwerping: Maar Paulus zegt: ‘Want Christus heeft mij niet gezonden om te dopen, maar om het Evangelie te verkondigen; niet met wijsheid van woorden, opdat het kruis van Christus niet verijdeld worde.’(1Kor,1:17)

Antwoord: Laat ons eens voor een ogenblik aannemen, dat die woorden betekenen wat u denkt. Dat Paulus niet gezonden is om te dopen, dit leidt toch niet tot de gedachte dat u, die gelooft in Christus, u zich niet zou laten dopen, dat het bevel van Christus daarmee niet tot u komt? Uw Heere mag in deze ook wel tot u zeggen: ‘wat gaat het u aan? Volg gij Mij.’(Joh.21:22) Maar, en daar valt uw opvatting van deze woorden, Paulus doopte wel, hij heeft Crispus, Gajus n het huisgezin van Stefanus gedoopt. (1kor.1:14/16) Nu, wat hij deed, deed hij in opdracht of uit zichzelf. Hij deed het niet uit zichzelf maar in opdracht van zijn Koning. Hij was gezonden om te prediken en de doop viel in als een deel van zijn predikambt. Filippus een gekozen diaken, toch doopte hij de kamerling. De doop viel in als een deel van zijn werk. (Hand.8) Hier ziet u dat het niet nodig is dat de man die geroepen is tot het predikambt, apart groepen wordt tot de bediening van de doop, want de doop is een deel van zijn werk. Hij zou door de zwakheid van het lichaam, de bediening van de doop over kunnen laten aan anderen, die met hem mede-arbeiden, maar wat zegt dat? De geloofsdoop blijft een instelling van God zelf. Al mag dan hier of daar een prediker zijn, die niet in staat is met eigen hand gelovigen te dopen. Er zal er wel één gevonden worden, als u maar zo iemand zoekt!

 

22e Tegenwerping: Maar waar op één dag drieduizend gedoopt werden, hoe was het mogelijk dat die allen op één dag ondergedompeld worden. Zij werden wel besprengd maar niet ondergedompeld.

Antwoord: Het was wel mogelijk dat zij werden ondergedompeld, gedoopt naar de instelling van Christus. Er waren immers twaalf apostelen en zeventig discipelen, zoals u kunt lezen in Lukas 9:1 en 10:1 Dat zijn minimaal tweeëntachtig mannen. Deze hebben gemakkelijk drieduizend mensen op één dag kunnen dopen door onderdompeling. Dan was het mogelijk dat zij die eerst gedoopt waren, andere gelovigen doopten. Dopen is niet zulk moeilijk werk, als zij die er niet van houden er zo graag van maken. De besprengers hebben evenveel tijd nodig voor de besprenkeling als er vereist wordt om te dopen.