Woorden van de opgestane Jezus – Vrede zij ulieden

17-04-2020

'De Heere is waarlijk opgestaan..., Lukas 24:34.'

Nadat de Heere Jezus Zijn leven overgegeven heeft tot in de vervloekte kruisdood, is Hij na drie dagen als de Triomfator over dood, hel en graf opgestaan. De machten van de duisternis hebben niet overwonnen, maar Jezus heeft met Zijn lijden en sterven en met Zijn opstanding hen openlijk hun macht ontnomen en te kijk gezet. Kolossenzen 2:15 zegt zo mooi: 'En de overheden en de machten uitgetogen hebbende, heeft Hij die in het openbaar tentoongesteld, en heeft door hetzelve over hen getriomfeerd.' Hij Die alle macht heeft in hemel en op aarde moest sterven om de schuld en de zonden van het menselijk geslacht weg te dragen en voor ons de Weg tot het Vaderhart van God vrij te maken. In Hem mogen alle gelovigen uitroepen: 'Dood, waar is uw prikkel? Hel, waar is uw overwinning? 1 Kor. 15:55.' Met de apostel Paulus roepen wij in alle vrijmoedigheid: 'Zo is er dan nu geen verdoemenis voor degenen die in Christus Jezus zijn, die niet naar het vlees wandelen, maar naar den Geest, Rom. 8:1.' Jezus Christus is de Overwinnaar, Hij is waarlijk opgestaan.

Hoewel de Romeinse soldaten het verzegelde graf moesten bewaken uit angst dat het lichaam gestolen zou worden en Jezus in ieder geval het graf niet zou kunnen verlaten, brak Gods almacht door, als een lichtstraal van de hemel. Geen steen of aardse macht kon Jezus macht weerstaan. Zou Hij voor wie de demonen sidderen en aan wie de doden en de stormen van de zee moeten gehoorzamen, gehinderd kunnen worden door een zegel, een steen of aardse macht? De aarde beeft, de steen rolt weg, hoor de stem van de engel: 'Vreest gijlieden niet; want ik weet, dat gij zoekt Jezus, Die gekruisigd was. Hij is hier niet; want Hij is opgestaan, gelijk Hij gezegd heeft... Matth. 28:5,6.'

We willen samen de woorden van de opgestane Jezus overdenken waarbij we opnieuw de vier evangeliën naast elkaar leggen om te zien wat Hij gesproken heeft tot Zijn geliefden. De echo van de woorden die van Zijn gezegende lippen vloeiden mogen ons ook vandaag onderwijzen, vertroosten en bemoedigen.

Markus beschrijft de ontmoetingen van Jezus na Zijn opstanding in een korte samenvatting: 'En als Jezus opgestaan was des morgens vroeg op den eersten dag der week, verscheen Hij eerst aan Maria Magdaléna, uit welke Hij zeven duivelen uitgeworpen had. Deze heengaande boodschapte het dengenen die met Hem geweest waren, welke treurden en weenden. En als dezen hoorden dat Hij leefde en van haar gezien was, geloofden zij het niet. En na dezen is Hij geopenbaard in een andere gedaante aan twee van hen, daar zij wandelden en in het veld gingen. Dezen ook heengaande, boodschapten het den anderen, maar zij geloofden ook die niet. Daarna is Hij geopenbaard aan de elve, daar zij aanzaten, en verweet hun hun ongelovigheid en hardigheid der harten, omdat zij niet geloofd hadden degenen die Hem gezien hadden nadat Hij opgestaan was, Mark. 16:9-14.' Verdriet, teleurstelling en ongelovigheid heeft de harten van Jezus discipelen bevangen. Hem van Wie zij zoveel hielden was gekruisigd en begraven, hun leven leek zinloos te zijn geworden al hun hoop en verwachting was vergaan. Hoe heerlijk moeten dan de woorden hebben geklonken: 'De Heere is waarlijk opgestaan.' Hij liet Zijn geliefden niet in het onzekere, heel de wereld moet het weten dat God regeert en dat niet satan maar Jezus heeft overwonnen. De bron van Hoop is niet vergaan, Hij is opgestaan en heeft tot de Zijnen gesproken: 'Vreest niet... vrede zij ulieden'

Maria Magdalena, de vrouw die door Jezus was vrijgezet van zeven duivelen, is de eerste die in haar verdriet getroost wordt. Johannes (hoofdstuk 20) beschrijft dat Jezus haar van achteren ontmoet met de vraag: 'Vrouw wat weent gij? Wien zoekt gij?' Hoe heerlijk klinkt dan voor Maria, die denkt dat het de hovenier is, haar naam: 'Maria!' In één ogenblik is alle verdriet vervlogen, haar hart vervult zich met blijdschap en aanbidding, haar Meester, haar Verlosser, Hij is het Die haar naam heeft genoemd. Ze draait zich om en zegt: Rabouni, Meester. Waarop Jezus zegt: 'Raak Mij niet aan, want Ik ben nog niet opgevaren tot Mijn Vader; maar ga heen tot Mijn broeders, en zeg hun: Ik vaar op tot Mijn Vader en uw Vader, en tot Mijn God en uw God, Joh. 20:17.' Jezus Die nog niet als de eersteling uit de doden is opgevaren tot Zijn Vader, wil niet aangeraakt worden. Hij moet net als de graan schoof van de eerstelingen van de oogst, welke door de priester op de eerste dag na de sabbat na Pesach als hefoffer werd opgeheven, aan de Vader worden voorgesteld. Hoe heerlijk vervult Jezus de schaduwen van het Oude Testament (Lev. 23:10,11).

Uit de andere evangeliën kunnen we opmaken dat Maria samen met Johanna en Maria de moeder van Jakobus en Salomé, Jezus hebben ontmoet. Zij moeten aan de discipelen gaan vertellen dat zij naar Galilea moeten gaan, waar zij Jezus zullen zien (Matth. 28:10).

Ondertussen wandelen er twee volgelingen van Jezus op de weg naar Emmaüs (Luk 24) Terwijl zij in een gesprek zijn over dat wat hen zo bezighoudt, voegt een onbekende zich bij hen met de vraag: 'Wat redenen zijn dit, die gij wandelende onder elkander verhandelt, en waarom ziet gij droevig?' Kleopas antwoordt: 'Zijt Gij alleen een vreemdeling te Jeruzalem, en weet niet de dingen die deze dagen daarin geschied zijn?' Hij vertelt de vreemdeling de dingen die er gebeurd zijn. Hij vertelt van hun hoop en verwachting, van de dood van Jezus en van de vrouwen die zeiden dat Hij is opgestaan. Waarop Jezus reageert: 'O onverstandigen en tragen van hart om te geloven al hetgeen dat de profeten gesproken hebben; Moest de Christus niet deze dingen lijden, en alzo in Zijn heerlijkheid ingaan?' Jezus gaat hen aan de hand van Mozes en de profeten uitleggen wat er van Jezus geschreven staat. Hun hart brandt van verwondering, van liefde en aanbidding, hun angst en verdriet wordt verwisseld voor blij geluk en een levende hoop. Als Hij later het brood breekt en met hen deelt, worden hun ogen geopend en zien zij Jezus hun gekruisigde maar opgestane Heiland. Vol blijdschap keren zij de lange reis terug naar Jeruzalem om de discipelen het blijde nieuws te vertellen.

Terwijl de discipelen achter gesloten deuren bij elkaar zijn, teleurgesteld, verdrietig en bevreesd voor dat wat komen gaat, klinkt de stem van Jezus (Joh. 20): 'Vrede zij ulieden.' Tot drie keer toe klinken deze heerlijke woorden uit de mond van de Vrede Vorst; 'Vrede zij ulieden'. Hoe vaak had Hij voor Zijn dood niet gezegd, 'weest niet bevreesd en weest niet bezorgd'? En dan staat Hij hier tussen Zijn bevreesde vrienden, die denken dat zij een geest zien: 'Vrede zij ulieden; gelijkerwijs Mij de Vader gezonden heeft, zend Ik ook ulieden.' Hij blaast op hen en zegt: 'Ontvangt de Heilige Geest. Zo gij iemands zonden vergeeft, dien worden ze vergeven; zo gij iemands zonden houdt, dien zijn ze gehouden.' Is er een grotere troost denkbaar dan de Trooster Zelf te ontvangen? Uit het evangelie van Lukas kunnen we opmaken dat Jezus al hun twijfel had weggenomen door ook voor hen de Schriften te openen, Zijn handen en voeten te tonen waarin zij de tekenen van Zijn lijden en sterven zien. 'En Hij zeide tot hen: Wat zijt gij ontroerd, en waarom klimmen zulke overleggingen in uw harten? Ziet Mijn handen en Mijn voeten; want Ik ben het Zelf. Tast Mij aan en ziet, want een geest heeft geen vlees en benen, gelijk gij ziet dat Ik heb, Luk. 24:38-39.' Als zij dan van blijdschap en verwondering het nog steeds niet geloven zegt Hij: 'Hebt gij hier iets te eten?' Hij eet wat vis en honingraten om hun twijfel weg te nemen en duidelijk te maken dat Hij geen geest is. 'En zeide tot hen: Alzo is er geschreven, en alzo moest de Christus lijden, en van de doden opstaan ten derden dage; En in Zijn Naam gepredikt worden bekering en vergeving der zonden onder alle volken, beginnende van Jeruzalem. En gij zijt getuigen van deze dingen. En zie, Ik zend de belofte Mijns Vaders op u; maar blijft gij in de stad Jeruzalem, totdat gij zult aangedaan zijn met kracht uit de hoogte, Luk. 24:46-49.'

Hoe liefdevol is toch de Heiland voor hen die Hem liefhebben. Hij komt hen tegemoet en dat terwijl zij wankelden en vreesden met harten vol twijfel en ongeloof. Wat een blijdschap hebben de volgelingen van Jezus met elkaar genoten nadat Hij Zich aan hen geopenbaard heeft als de Heiland die alles Volbracht heeft. Hoe genadig en barmhartig is onze God. Ook de twijfelende Thomas, die vanwege verdriet de eerste keer niet op de juiste plek was waardoor hij de ontmoeting met Jezus moest missen, wordt door Jezus opgezocht. Acht dagen later als de discipelen weer bij elkaar zijn en de deuren gesloten zijn, klinkt opnieuw de stem van Jezus (Joh. 20): 'Vrede zij ulieden!' Thomas wordt persoonlijk aangesproken: 'Breng uw vinger hier, en zie Mijn handen, en breng uw hand en steek ze in Mijn zijde; en zijt niet ongelovig, maar gelovig.' Waarop Thomas uitroept: 'Mijn Heere en mijn God.' Dan zegt Jezus: 'Omdat gij Mij gezien hebt, Thomas, zo hebt gij geloofd; zalig zijn zij die niet zullen gezien hebben en nochtans zullen geloofd hebben.'

Vrienden wat een heerlijke woorden hebben wij overdacht. Allemaal met het doel waarvan Johannes schrijft: 'Jezus dan heeft nog wel vele andere tekenen in de tegenwoordigheid Zijner discipelen gedaan, die niet zijn geschreven in dit boek; Maar deze zijn geschreven, opdat gij gelooft dat Jezus is de Christus, de Zone Gods, en opdat gij gelovende het leven hebt in Zijn Naam, Joh. 20:30,31.'

Wilco Vos Veenendaal 31-03-2020